Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

Tania Verhelst: Twee helften

door Yvan de Maesschalck

‘Gemis maakt geen geluid, netzomin als het middaglicht’   

Dat elk verschijnsel – en bij uitstek de mens – uit twee elkaar aanvullende delen bestaat, zou je met enige voorzichtigheid een platonische of westerse opvatting kunnen noemen. Wat één en ondeelbaar lijkt, wordt graag als een twee-eenheid voorgesteld of gedacht. Zo koesteren we graag tegenstellingen als geest versus lichaam, schaduw versus licht, binnen versus buiten, klein versus groot, liggen versus bewegen. De mogelijkheden zijn schier eindeloos en worden in Twee helften, het erg overtuigende debuut van Tania Verhelst, ook poëtisch te gelde gemaakt. En dat niet zozeer om de vertrouwde binaire voorstelling van zaken te bevestigen of onderbouwen, als wel om de onhoudbaarheid ervan uit te spellen, of toch de evidentie ervan in vraag te stellen.
 
Dit duale uitgangspunt laat ons graag denken ‘dat wij volledig zijn’ en dat we ‘paren met onze helften naar binnen / alsof dat iets wil zeggen’. Aldus de slotverzen van het openingsgedicht ‘Twee helften’. Het gaat daarbij om een soort volledigheid – een substantief afgeleid van twee antonieme adjectieven – die slechts in schijn aanwezig is, want ‘het skelet’ is ‘als het toevallige staketsel van een spelletje mikado’. Broosheid of kwetsbaarheid troef dus en dat is mijns inziens ook een van de grondtonen van deze bundel. Een grondtoon die gaandeweg luider opklinkt. ‘Misschien’, zo besluit het drieledige gedicht ‘Habitat’, ‘hebben wij meer gemeen met schaaldieren / en zit onze schaal vanbinnen / gebroken tot een skelet’. Die ingeboren, paradoxale kleinschaligheid wordt op allerlei manieren aan de orde gesteld, bijvoorbeeld in frasen als ‘amper een lichaam ver’ of ‘niet meer dan amper één lettergreep’. Er wordt ook gesuggereerd dat edelstenen ‘van niet meer zijn gemaakt dan water en zeep’. Een gedachte waarop volop gevarieerd wordt in de slotreeks ‘Stemmen uit het ongewisse’, waarin sprake is van ‘een stem / die nog moet beginnen’, ‘een zacht weekdier dat slechts terloops bestaat’, een ‘ochtend die twijfelt tussen een spiegel en een wasbekken’.
 
Tegen die inherente broosheid trachten wij een dam op te werpen, onder meer door in tijd en ruimte allerlei naden te lijmen of lijnen uit te zetten, daarin wellicht geholpen door ‘twee hersenhelften die om de beurt slapen’. Het krioelt in deze bundel van scenario’s waarmee wij, met enige ironische hardnekkigheid, orde opleggen aan wat in wezen ongeordend en evenmin te ordenen is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de naamgeving van ‘een kleine en een doodlopende straat’, vernoemd naar een in 1734 wegens hekserij verbrande vrouw (in ‘Maaike Kerrebroeck’), uit onze obsessie te denken dat ‘de tijd overal [loopt] / nestjes gedresseerd tot een cijfer’ (in ‘Tijd’), uit de vanzelfsprekendheid waarmee een ik-figuur haar/zijn ‘binnenkant ondersteboven binnenstebuiten / zo onmogelijk overzichtelijk op één lijn’ wil hangen (in ‘Was’). En uit de bereidheid onze identiteit tot een enkelvoudige code te (laten) reduceren. Dit conformistische gedrag evoceert Verhelst onder meer in ‘Ik ben een wachtwoord’:
 
‘van alle dingen die vullen
vul ik mij het minst
ik loop over in gebaren en schuim
in grote woorden ook
laat mij achter in vingerafdrukken en voetnoten
de willekeurige bloemlezing van andermans herinnering
ik blijf hangen in de weerhaken van rubrieken en tabellen
verdoofd tot een gemiddelde
ik tel af in jaren en bij in gewicht
schrijf mezelf predicaten toe
met het gemak waarmee ik nieuwe kleren aantrek’
 
Bovenstaande verzen sporen in hoge mate met de routineuze opnameprocedure van een willekeurige en dus inwisselbare patiënt in het gedicht ‘Route 365’. Alweer niet zonder zin voor ironie en vanuit het schrijnende besef dat de uniciteit – of integriteit? – van iemands lichaam onbestaande of irrelevant wordt geacht. Ik laat de lezer graag meegenieten van de volgende twee strofen:
 
‘hier is geen schaduw meer, geen terra incognita
alles moet uitvergroot en uitgelicht
de foto’s van je binnenkant gaan van hand tot hand over je hoofd heen
want jij bent niet van jou, je lichaam allerminst
 
je hart een paperclip
houdt een handjevol kamers bij elkaar
je bloed wordt omgeleid, stroomt in plastic banen
in het galactisch centrum van een baxter, op wieltjes zo je wil’
 
Al tilt een knipoog naar het kosmische bovenstaande verzen boven het klinische uit, het wekt hoe dan ook verwondering wat de (westerse) mens bedenkt om zijn dagelijkse leven in goede banen te leiden. Een onvolledige maar daarom niet minder pittige ‘bloemlezing’ vindt de lezer in bijna alle gedichten terug, gaande van ‘streepjescodes’, synchroon wuivende ruitenwissers tot ‘gestructureerde mededelingen’, ‘ijkpunten van een of ander algoritme’ en allerlei ‘coördinaten’. Die welhaast perverse drang ons aller leven te structureren komt ook in formeel opzicht tot uitdrukking in Verhelsts verzen. Daar lijkt me ‘Gemis maakt geen geluid’ een treffend voorbeeld van:
 
‘of het daglicht altijd zo zal zijn: een beweeglijk pigment van moedervlekken
als je het licht neerlaat, verandert het patroon: schutkleur wordt streepjescode
zal ik je armen scannen – of jij iemand mist? zal ik, telkens dat gebeurt
als een kaartjesknipper een gaatje knippen in de lucht?
zal ik de gaten dichtstoppen met vlokken sneeuw
de stilte ervan regisseren
 
gemis maakt geen geluid netzomin als het middaglicht
of het altijd zo zal zijn: een beweeglijk pigment van moedervlekken
als je het licht neerlaat, verandert het patroon: schutkleur wordt streepjescode
en plots de gedachte dat rolluiken allicht geen andere herinnering hebben dan neerlaten’
 
De allitererende titel van het gedicht is niet alleen een fraaie synesthesie, maar verwijst ook naar een andere grondtoon van de bundel: die van het ontbreken/gemis. Wat onvatbaar of veranderlijk is laat zich niet tot een vast patroon herleiden, al ontstaat de indruk dat het wel zo is, zoals uit de zich in elkaar spiegelende verzen blijkt. Maar midden in de tekst neemt de stilte over, die onhoorbaar is en uitloopt in een witregel die beide strofen van elkaar scheidt. Wellicht omdat alles wat onvervreemdbaar/authentiek is, zoals identiteit, licht, water of stilte, niet in woorden kan worden uitgedrukt. In het tweede luikje van het prachtige drieledige gedicht ‘Wij’ staat daarover dit te lezen:
 
‘want waar vlees gedijt in bloed en massa
neigen woorden naar witruimte, ontbreken
zoals coniferen niet met naalden spreken
maar met het licht dat tussen hun naalden speelt
 
versplintert’
 
‘Vlees’ verwijst naar de openingsverzen van hetzelfde gedicht: ‘was het per ongeluk / dat het woord het vlees bezocht’, verzen die alluderen op een overbekende oneliner uit het evangelie van Johannes. Het sluit bovendien mooi aan bij een Bijbelse referentie in het derde luikje van het gedicht: ‘misschien waren wij te veel buigen / teveel ontbreken // als wij bogen dan brak onze rug / omdat elke rib even belangrijk dacht te zijn’. Ja, die ontbrekende rib heeft intussen een aanzienlijke lyrische staat van dienst en is een mooie metafoor voor de versplintering die op aarde regeert. Ze dringt diep in het lichaam of de huid door en maakt van elke poging tot ordening een goedbedoelde illusie: ‘lengte- en breedtegraad kruisen elkaar op de toppen van je vingers / de as van omwenteling zit diep in je cellen / rest je enkel nog de vraag van welk lichaam / deze. zeepbel. een cel. is’. Wezens die versplinteren, verwaaien uiteindelijk tot stof en dat is ook wat deze verzen suggereren.
 
Wat rest de mens die met een dergelijk inzicht wordt geconfronteerd? Rondjes draaien ‘in een wereld zonder middelpunt’. En al zeker in een wereld waarin elke zin voor het mysterie in de kiem is gesmoord. Het onvermijdelijke gevolg ervan klinkt als een fatale diagnose en die formuleert Verhelst zo:
 
‘onze mond werd een open wond
of spraken wij teveel
geboren op een afvalberg
wij aten plastic fruit en microchips
zwierven rond als nomaden
schreven cirkels rond een wak als rond de navel
van een lang geleden middelpunt’
 
Bovenstaand beeld van de mens die cirkels beschrijft, sluit naadloos aan bij ‘Bespiegelingen op een bruidstaart’, waarin de bruidegom obligaat de taart aansnijdt: ‘zet hij het mes in onze tuin om wat Een is te verdelen / over duizend plastic borden en wij zouden kunnen huilen’. De bevroren erotiek van het aanstaande huwelijk krijgt een wrange voorproef in die van ‘Tinderlove’, waarin sprake is van ‘de blos van je touchscreenhuid’ en een ‘korte paringsdans’, waarvan een kosmische variant wordt vermeld in ‘Oefeningen in wat later heet’: ‘we kunnen ook draaien, rond de as en rond elkaar / de eeuwige balts van planeten’.
 
Doorheen de gedichten lopen overduidelijk allerlei draden die uiteindelijk de vorm van een cirkel of spiraal aannemen. Twee helften is dan ook een filosofisch gestemde, zorgvuldig gemonteerde bundel, rijk aan beelden en motieven. Een bundel bovendien waarin een behoedzame, maar trefzekere stem de lezer meeneemt langs ‘rivieren waarvan de inkt kartelt in een of ander onleesbaar handschrift /omdat het alleen maar stromen wil’.
 
Tania Verhelst: Twee helften, De Zeef, Leuven 2020, 72 p. ISBN 9789493138254. Distributie Uitgeverij P

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Aria van professor Bentoné

Dirk Elst

Baron Bagge / Mona Lisa. Twee novellen

Alexander Lernet-Holenia

De gelukzalige jaren van tucht

Fleur Jaeggy

Gare du Nord. Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs (1850-1950)

Eric Min

Het web van omtrek

Paul Demets

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2021

Brown girl dreaming

Jacqueline Woodson

De moestuin van Heer Hermelijn en Kereltje Konijn

Elle van Lieshout, Erik van Os, Marije Tolman (ill.)

De omhelzing

David Grossman, Michal Rovner (ill.)

Een tijger in je bed

Bibi Dumon Tak, Ingrid & Dieter Schubert (ill.)

Vluchtweg

Goedele Ghijsen

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri