Kinderen (en enkele dieren) met dierenmaskers sieren de voorkant
van Annie M.G. Schmidts grote dierenvoorleesboek. Noëlle Smit vat hiermee fraai
niet alleen het carnavaleske van veel van de verhalen, maar ook de band tussen
kinderen en (kleine) dieren die Schmidt zelf herhaaldelijk beklemtoonde. Voor
haar vonden kinderen en dieren elkaar vooral in hun rebellie tegen de
opgeblazen volwassenen die hen klein proberen te houden.
Een sprekend voorbeeld van het complot tussen kinderen en dieren
is het verhaal over Ibbeltje en de katten die de hebberige meneer Pinkepank te
slim af zijn. De kinderen nemen het ook altijd op voor de dieren. Pluk redt met
zijn vriendjes de Krullevaar uit de poten van meneer Plomp die hem wil opzetten
en de kinderen van Waaidorp ondernemen een actie voor een nieuw dierenasiel.
Otje en haar vader Tos (eigenlijk een groot klein kind) redden de muizen van de
hongerdood. En dan is er natuurlijk Minoes, het juffertje dat vroeger een poes
was en dat het met de katten uit de buurt opneemt tegen de valse Ellemeet.
In de verhalen en versjes voor de jongste kinderen zijn de dieren
eigenlijk kinderen in dierenpak. Dubbie eend is lekker tegendraads: ze wil niet
in het water, tot haar mama met de ander eendjes het sop kiest. De beertjes
Pluis en Poezeltje gedragen zich als ondeugende kleuters. Het lammetje
Kroezebetje gaat wel even de wijde wereld in, maar keert uiteindelijk terug
naar haar lieve mama. In ‘Spikkelje’, een sprookje voor iets oudere kinderen,
is het lijstermeisje een puber die het huis uitvliegt. Daarmee lijkt ze een
voorloper van Joke van Leeuwens Iep. En het boerenmeisje Pietepeut temt het
beest met de achternaam en blijkt zelfs bij de koning niet op haar mondje
gevallen.
Naast verhalen uit sprookjesbundels en klassiekers als Otje, Pluk
van de Petteflet, Jip en Janneke, Abeltje, Floddertje en Wiplala, bevat deze
bundel ook gedichten, waarvan er zes niet eerder in boekvorm verschenen. Bij
elkaar vormen die een echte dierentuin, met naast poezen en beren ook muizen,
een geit, kikkers, tijgers, een haan, een krokodil, een slang en nog een resem
andere beesten. Er zijn klassiekers bij als ‘De kat van ome Willem’, ‘De vlieg
Eulalie’, ‘Stekelvarkentjes wiegelied’, ‘Het beertje Pippeloentje’, ‘Wat is
dat, mevrouw van Gelder’ en natuurlijk ook ‘Het schaap Veronica’. Maar er
ontbreken er ook, zoals ‘De spin Sebastiaan’. De zes nieuwe versjes halen niet
allemaal Schmidts topniveau. ‘Pietagoras Pauw’ bijvoorbeeld bevat een wat
flauwe moraal en enkele zwakke rijmen.
De geit van dokter Sanders is naast een rijk (voor)leesboek ook
een prachtig kijkboek. Het bevat niet alleen de gekende illustraties van Fiep
Westendorp of Carl Hollander, maar ook heel wat verrassend nieuw werk van onder
meer Philip Hopman, Noëlle Smit, Fleur van der Weel en Sylvia Weve. De
afwisseling van stijlen en technieken is verfrissend, met naast sobere zwart-wittekeningen
van Caroline Ellerbeck of Thé Tjong-Khing ook vrolijke, kleurrijke prenten van
Loes Riphagen, speelse, tedere prenten van Philip Hopman, expressieve, rebelse
illustraties van Sylvia Weve en zoveel meer.
‘De geit van dokter Sanders / is anders, is anders’, zo begint het
slot- en meteen titelvers van de bundel. Wat voor de geit geldt, geldt voor
alle dieren in dit boek en daarmee ook voor alle verhalen en gedichten: door
Schmidts eigen stem zijn ze anders dan anders.
Amsterdam: Querido, 2015, 172 p. : ill. ISBN
9789045117799
© 2024 | MappaLibri