De Deense schrijfster Tove Ditlevsen (1917-1976) is in
haar thuisland bij jong en oud bekend. Ze debuteerde in 1939 als dichter. Naast
ettelijke poëziebundels schreef ze ook kortverhalen, jeugdboeken, romans,
essays en memoires. Bij ons kwam ze in 2020 op de radar met haar ontwapenende,
autobiografische Kopenhagen-trilogie.
In het eerste deel, Kindertijd,
tekent ze op hoe het eraan toeging in het arbeidersgezin waarin ze samen met
haar broer opgroeide. Jeugd gaat over haar tienerjaren,
die draaiden rond haar kalverliefdes en de eerste gedichten die ze aan de man
bracht. Deze twee boeken kwamen uit in 1967. Vier jaar later voltooide ze het
schrijnende slotdeel Afhankelijkheid. Daarin stelt ze
scherp op haar drie mislukte huwelijken en haar verslaving aan verdovende
middelen. De schaduw van die afhankelijkheid valt aan het eind ook over haar
vierde relatie, die eveneens op de klippen liep.
Tove Ditlevsen vond het leven
niet bepaald een feest, zo blijkt uit de Kopenhagen-trilogie. Toch is de
toon van dit drieluik zelden zwaar op de hand. Die luchthartige toets is veel
minder aanwezig in haar beklemmende kortverhalen in Kwaad geluk.
De toon is meteen in
het openingsverhaal gezet. In ‘De dolk’ meet een man zich bewust een
afstandelijke, licht verwijtende houding aan tegenover zijn vrouw en hun
vijfjarige zoontje. Op een ochtend vraagt hij de jongen naar de dolk, die hij
hem met kerst cadeau gegeven heeft. Wanneer de jongen schoorvoetend bekent dat
hij die kwijtgespeeld is, weet de vader niet waar hij het heeft. Het was dan
ook niet zomaar een stuk speelgoed. De vader had de dolk zelf als kind gekregen
van zíjn vader en hechtte er veel waarde aan. De moeder probeert de sfeer aan
de ontbijttafel nog te redden door op te werpen dat de dolk wel weer boven
water zal komen.
Het zint de vader allerminst dat zijn vrouw al van het verlies op de
hoogte was en dit bovendien voor hem verborgen hield. Tijdens zijn werkdag
herkauwt hij de kwestie en deint zijn woede gaandeweg uit. Hij neemt zich op de
bus naar huis voor dat hij niet langer zal aanvaarden dat zijn vrouw en kind
een wereld scheppen waar hij geen deel van uitmaakt. Hij zal hen bij zijn
thuiskomst inpeperen dat hij hun meerdere is. De jongen moet beseffen dat
wegkruipen achter de rokken van zijn moeder slechts waardeloze bescherming
biedt. Wanneer hij ’s avonds uit de bus stapt, lopen de zaken evenwel anders
dan hij gehoopt had.
Eenzelfde claustrofobische sfeer spreekt uit het tweede verhaal ‘Angst’.
Daarin durft een vrouw nauwelijks een vin te verroeren onder het echtelijke dak
uit angst om haar chagrijnige man (en kostwinner) voor het hoofd te stoten. Die
angst culmineert wanneer ze, achter de rug van haar slapende echtgenoot, even
binnenwipt bij haar zus die op een boogscheut van hen vandaan woont. Verteerd
door schuldgevoelens keert ze gauw terug naar huis. Daar treft ze haar man aan
in de woonkamer en kan alleen maar denken dat ze niet had moeten weggaan: ‘Door
altijd thuis te blijven weerde ze iets verschrikkelijks af dat steeds op het
punt stond te gebeuren, iets waarop ze altijd zat te wachten, iets wat ze
dagelijks, elke minuut, terugduwde naar zijn plek als een muur die op iemand
viel als je er niet met je hele gewicht tegenaan drukte’.
Ook de overige verhalen baden in
de sfeer van de jaren vijftig en zestig en zoomen in op illusieloze huwelijken.
Alleen het titelverhaal ’Kwaad geluk’, de afsluiter van de bundel, wijkt af van
de andere. Een moeder kijkt daarin terug op haar zeventienjarige zelf. Veel van
wat deze ik-figuur overkwam, loopt gelijk met anekdotes uit Tove Ditlevsens
autobiografische Jeugd. Naar het einde van het verhaal toe staat de
vertelster op het punt om als dichter haar vleugels uit te slaan. Het echte
slotakkoord verscherpt echter opnieuw de donkere contouren door een diep gevoel
van verlatenheid aan te roeren.
Onoverkomelijke afstand ligt aan de basis van die
verlatenheid en doet ook de armzalige en meelijwekkende huwelijken in Kwaad
geluk verzanden. Scheidingen brengen nauwelijks soelaas. Er lijkt dus geen
ontsnappen aan datgene wat deze mensen – mannen, maar vooral zichzelf
wegcijferende vrouwen – gevangenhoudt. Tove Ditlevsen trekt je via prikkelende
beginzinnen mee in hun lotgevallen, ontvouwt vervolgens het drama en zet zo nu
en dan met een ongecompliceerd maar raak beeld de kers op de taart.
Tove Ditlevsen:
Kwaad geluk, Das Mag, Amsterdam 2023. 139 p. ISBN 9789493248502.
Vertaling van Den onde lykke door Lammie Post-Oostenbrink. Distributie De Wolken
deze pagina printen of opslaan