Vertaald proza

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2019

Thomas Bernhard: Ja

door Carl De Strycker

Toen ik de grote Nederlandse cabaretier Wim Sonneveld leerde kennen, vond ik Frater Venantius een van zijn geestigste typetjes. De zingende pater die, doordat hij in het klooster is ingetreden veel van de geneugten van het leven moet verzaken, maar vol overtuiging oproept om van het leven te genieten met de slogan: ‘Zeg maar ja tegen het leven / anders zegt ‘r ’t leven toch nee’. Aan die slagzin moest ik denken bij de lectuur van Ja, de korte roman uit 1978 van Thomas Bernhard, en wel omdat alles daarin haaks staat op de oproep om het leven te bevestigen. De affirmatieve titel krijgt in de laatste zin een wrange wending en blijkt paradoxaal genoeg de ultieme ontkenning van het leven te zijn.
 
De ik-verteller, een wetenschapper die met een depressie kampt, woont in een afgelegen Oostenrijks dorp, waar hij ongeveer alleen contact heeft met zijn buurman, de makelaar Moritz. Als er een echtpaar, een Zwitser en zijn levensgezellin, ‘de Perzische’, in het dorp komen wonen, zorgt dat voor heel wat opschudding. Niet alleen onder de xenofobe inwoners (tekenend is dat het echtpaar geen naam krijgt, maar op hun afkomst wordt vastgepind), maar ook en vooral in het leven van de verteller. Hij is niet gewoon geïntrigeerd door de nieuwkomers, hij raakt door hen geobsedeerd en met name ontwikkelt hij een bijzondere interesse in de vrouw. Het is zijn verlangen om met haar te gaan wandelen in het lariksbos en met haar te praten.  
 
Als dat uiteindelijk voor elkaar komt, vindt hij in haar een zielsverwante. Zij houdt net als hij van de – mistroostige – filosoof Schopenhauer en van de – getergde – componist Schumann. Ook zij blijkt niet heel erg gelukkig in het leven te staan en langzaam wordt duidelijk waarom ze beland is in een ruïne van een huis op een stuk drassige grond in een oord in the middle of nowhere: haar echtgenoot heeft haar daar min of meer gedumpt. Op het moment dat ze heel haar hart heeft uitgestort, krijgt de verteller een afkeer van haar. In plaats van een lotgenote in haar te zien, voelt hij haar aan als een bedreiging en hij verbreekt al het contact met haar. Wanneer hij na een tijd te horen krijgt dat ze bij een ongeval is omgekomen, voelt hij zich enigszins schuldig, omdat ‘ik haar, de Perzische, heel direct en echt op die meedogenloze manier van mij had gevraagd of zij zelf op een dag zelfmoord zou plegen. Daarop had ze alleen maar gelachen en Ja gezegd.’ Het is het enige woord dat ze in de directe rede uitspreekt in het hele boek…
 
Net als in ander werk van Bernhard is Ja een meanderende monoloog van een kankerend personage. De tekst bevat geen paragrafen, de klacht lijkt eindeloos en is associatief opgebouwd. De personages zijn zure mensen, die hun kleine ergernissen zo uitblazen dat het leven er ondraaglijk door wordt. Dat is zo in zijn grote romans, in zijn toneelstukken en dus ook hier in deze kleine roman. De ene lezer zal dat gezeur ondraaglijk vinden, de andere vindt het een stilistische hoogstandje. Ooit hoorde ik bij de eerste groep mensen die dit deprimerende lectuur vonden, maar na een tijdje in de Alpenstaat gewoond te hebben, begreep ik dat dit onophoudelijke gejammer heel erg bij de Oostenrijkse volksaard hoort. Sindsdien kan ik er erg om lachen, al is het ook ten diepste treurig.
 
Thomas Bernhard: Ja, Vleugels, Bleiswijk 2019, 96 p. ISBN 9789076827906. Vertaling van Ja door Ria Van Hengel 

deze pagina printen of opslaan



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri