12+ - Dat Marco
Kunst een dichtbundel zou schrijven over de zee stond in de sterren geschreven.
Over een van zijn vorige boeken schreef ik in een recensie voor Lees-wijzer
(2023): Het touw en de waarheid is pure poëzie in woord én beeld,
waaruit een grote liefde spreekt voor mooie woorden en kleuren.’ Ook in dat
boek speelde de zee een centrale rol en riep hij sfeer op met poëtische zinnen
als ‘Het gierige licht van een magere maan trok alle kleuren weg.’
De lezer weze
gewaarschuwd: het vraagt tijd om in de zee van woorden in Kunst zijn
dichtbundel helemaal weg te kunnen duiken. Zet de tijd stil, lees en herlees en
laat je meedrijven op de golvende versregels of neem een duik onder die golven
om op zoek te gaan naar parels van verborgen emoties.
Centraal thema is de zee, maar
onderzees stromen diepere motieven en emoties die door de zee worden opgeroepen.
Het vaakst wordt de zee verbonden met verlangen. In het sprookjesachtige
openingsvers droomt de ik met ‘Mare Lieve van der Zee’ mee te zwemmen langs
‘verre havens, vreemde landen: ‘Lieve Mare, neem me mee’. Het verlangen naar de
verte en avontuur kleurt ook ‘De geuren van de zee’, een gedicht dat zijn
oorsprong vond in ‘Odeur marine’ van de Franse dichter Roger Dévigne. De ziel
wordt er vergeleken met een schip dat naar de verte en de vrijheid wil, maar
gebonden is aan de kade. ‘Eindeloos’ verwoordt dan weer het verlangen naar een
verre geliefde, met een bitter slot.
‘De oude man’, geïnspireerd op
een gedicht van de Portugese dichter Fernando Pessoa, gaat over het verlangen
naar vroeger, naar de kindertijd, opgeroepen door zeilboten: ‘vleugels van
verlangen, / van de wil om weer te zijn, / wie ik langgeleden was, / ook al doen verlangens pijn.’ De band tussen zee
en kinderjaren ligt ook aan de basis van ‘De rand’, waarin het strand staat
voor de rand tussen kindertijd en volwassenheid, tussen verleden en toekomst:
‘Als kind lang geleden / stond ik ook hier, / oneindig de toekomst / en ik een
klein dier.’ Dat motief duikt opnieuw op in ‘Golven breken op het strand’,
waarin de ik zich in de nacht een eiland voelt in zee, maar ook ‘Een kind, dat
droomt zich door de nacht, / nog niet belaagd door het verleden, / branding,
wind of overmacht.’ En opnieuw wordt de zee gekoppeld aan verlangens:
‘Verlangen waar ik niet naar luister’ en ‘verlangens’ die ‘breken op het
strand.’
Het
contrast tussen verleden en toekomst is ook het centrale motief in ‘Vroeger en
later’, waar het samengaat met een ander motief in de bundel: de band tussen
volwassene en kind, hier opa en kleinkind. Kunst verwoordt die band in een van
de gevoeligste strofen in de bundel, met een beeld dat uitdaagt om er een
persoonlijke interpretatie aan te geven:
‘Mijn hand in zijn hand,
ik kijk naar hem op,
verweerd
en vertrouwd
en net niet
mijn vader,
mijn opa het
water,
dat blinkt in de
zon.’
In
‘Het tij’ staat de band tussen moeder en zoon centraal, een band als eb en
vloed, tussen willen vasthouden en moeten loslaten. De zoon kan immers niet
weerstaan aan ‘het trekken van het tij’ en de roep van ‘de wilde wijde oceaan.’
Waar ‘Het tij’ als een wilde branding over je heen raast, huppelt ‘Veerle en de
zee’ met een vader en zijn kleine meisje speels naar de waterkant. In ‘Storm’,
losjes gebaseerd op ‘On the beach at Fontana’ van James Joyce, buldert de zee
‘als een dol geworden hond’, maar de vader wandelt met zijn zoon toch verder op
het strand. Net als bij Joyce gaat het gedicht in wezen over de bescherming die
de vader zijn zoon wil bieden: ‘Mijn arm warm om je heen, / je ogen glanzen /
en ach, de pijn verdween alweer, / die angst voor wat kan komen / en we lopen
verder door.’
De
eindeloze beweging van eb en vloed doet ook mijmeren over begrippen als eindig
en oneindig, over wat blijft en wat voorbijgaat, mijmeringen die ook diepe
gevoelens kunnen oproepen. In ‘Er ligt een land’ droomt de ik ervan ‘eindeloos
te zwerven’ in een land ‘vergeten, / ver voorbij de oude zee. / Een land van
kan niet weten, / niet meer bang zijn, nooit meer, nee’ en om daar ‘de
eeuwigheid te beërven’. Het is een van die gedichten waarin je diep kan
wegduiken om er je eigen gevoelens van de bodem op te diepen. In ‘Geen spijt’
wordt gemijmerd bij een kampvuur op het strand. Het refrein koppelt eb en vloed
expliciet aan wisselende gevoelens:
‘Weer een dag van eb en vloed,
verlies en verlangen,
vergetelheid.
Vermoeden dat
alles anders moet,
leven,
liefde, vage spijt.’
Dat poëzie niet alleen gevoelens
kan oproepen, maar ook verbeelding, demonstreert Marco Kunst in ‘Voorbij de
zee’. Hij nodigt de lezers rechtstreeks uit om, geïnspireerd door het gedicht,
kun eigen strand te verzinnen:
‘Dus doe nu ook je ogen dicht,
denk aan het strand in dit
gedicht.
Zoals jij wilt richt je het in,
plaats jezelf er middenin
en geniet voor onbepaalde duur
van je eigen avontuur.’
In deze poëzie
kun je niet alleen de zee zien, ruiken en voelen, met alle verlangens en
gevoelens die die oproept. Je kunt de zee ook horen in het spel van ritme en
klanken of anders gaan zien door de originele beelden en verrassende combinaties.
In de meeste gedichten kiest Kunst voor een klassieke dichtvorm met strofen van
gelijke lengte, een rijmschema en een vrij strak metrum (met vooral jamben die
voor een golvend ritme zorgen). Behalve eindrijmen zorgen ook binnenrijmen,
alliteraties en klinkerrijmen ervoor dat veel regels en strofen blijven hangen.
Geniet van het klankspel in de begin- en slotstrofe van ‘Duinen’:
‘Duinen zijn
reservestrand,
bescheiden
bergen ziltzacht zand
die
lomig liggen langs de rand
van al dat weidse lageland.
[…]
‘Duinen,’ schreef ze, ‘duinen, duinen’.
Een blonde,
mulle, volle naam,
een naam
die klinkt als zachte tuinen:
‘Duinen, duinen, duinen, duinen…’’
Of luister
naar het spel van het licht op de golven: ‘En het licht dat daar krinkelt/ en
botst, warrelt, twinkelt.’ (‘Water is water’). Het gedicht zingt, maar zinkt
tegelijk wat weg door een teveel aan woorden in de eerste twee strofen. Hoe
mooi veel versregels ook klinken, soms struikel je als lezer toch over een
nodeloze breuk in het ritme of een gewrongen rijm, zoals in volgende strofe uit
‘Voorbij de zee’: ‘Het strand dat ik hier voor me zie, / is dat van de
fantasie. / Het strand waar alles mogelijk is: / sprekende schelpen, zingende
vis. / Eeuwenoude piratenschatten, / een krijsend koor van zwerfkatten.’ Op dit
vlak mag de dichter nog kritischer zijn.
Maar in de meeste gedichten
blijf je in de ban van het klankspel en misschien nog meer van de rijke
beeldspraak en verrassende combinaties. De dijk ga je anders zien dankzij de
uitgewerkte personificatie: ‘Ik sta op een heup / van het lijf van de dijk. /
Ze rekt en strekt / zich loom voor mij uit.’ In ‘Golven breken op het strand’
droom je als het ware met de ik mee dat je een eiland wordt in zee: ‘De nacht
ontrolt zich, breidt zich uit, / dempt licht en denken en geluid. / Een eiland
blijf ik zonder zicht, / geen misthoorn, vuur of teken.’ ‘Naar zee’ is een
uitgewerkte vergelijking van een rivier met een zich ontwikkelende vrouw:
‘Voller word je, breder, heupen en rondingen/ die rijmen met omringende
heuvels. / Gulle oevers omkleden, omarmen je met groen…’
Marco Kunst demonstreert zijn
taalvirtuositeit ook in de vier gedichten, geïnspireerd op verzen van andere
dichters. Vergelijk de volgende regels uit ‘Van eb en overvloed’ met die uit
‘To the sea’ van Philip Larkin. ‘The miniature gaiety of seasides’ wordt ‘De
zanderige vrolijkheid van strandjes aan de kust’; ‘still going on, all of it,
still going on’ wordt ‘gaan altijd altijd altijd door’ en ‘Like breathed-on
glass/ the sunlight has turned milky’ wordt ‘Dan valt de avond, zon in zee’. Kunst
voegt ook verrassende beelden toe zoals ‘De tijd staat eeuwig deinend stil’ of
‘een zandkasteel, een luchtkasteel,/ een burcht van eb en overvloed.’
Net als in Het touw en de waarheid zijn de illustraties van Jeska Versteegen al
even poëtisch als de tekst. De illustratie op de cover zegt meteen ‘bijna
alles’: daarop torst een tengere figuur de zee als een immense bal, terwijl een
meeuw over de golven zweeft en de zon het rood van ‘bijna’ uit de titel weerspiegelt.
Het opvallendst echter zijn de zwierige golven waarop je door de bundel kunt
surfen. Bijzonder krachtig is het beeld bij het openingsgedicht, waarin de golf
tegelijk het haar is van Mare Lieve, wier gesloten ogen en glimlach al even
verlokkend zijn als de zee. Bij ‘Een kei’ wordt de golf een arm die de rode kei
aait die de ik verbeeldt. Het contrast tussen de golven die op het strand
spoelen en de twee minuscule zwarte en rode figuurtje bij en in het water drukt
krachtig het gevoel van ‘De rand’ uit. Op de titelpagina en bij ‘De geuren van
de zee’ kun je meesurfen op de rug van een zeepaardje, een mooi symbool voor de
ziel, verlangens en dromen.
De zee is bijna alles is een gedurfde poëziebundel,
zeker voor een jeugdig publiek. De zee is voor hen niet meteen het meest
aantrekkelijke thema. En in de meeste gedichten is een volwassen stem aan het
woord, die weliswaar soms terugkijkt naar de kindertijd of jeugd. Maar het is
zeker de moeite waard voor jong én oud om in deze verzenzee te duiken en van onder
de golvende regels diepmenselijke gevoelens en verlangens naar boven te halen.
Marco Kunst,
Jeska Verstegen: De zee is bijna alles, Lemniscaat, Rotterdam 2025, 41 p. :
ill. ISBN 9789047717461
deze pagina printen of opslaan