Vanaf twaalf jaar

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2025

Marco Kunst, Jeska Verstegen (ill.): De zee is bijna alles

door Jan Van Coillie

12+ - Dat Marco Kunst een dichtbundel zou schrijven over de zee stond in de sterren geschreven. Over een van zijn vorige boeken schreef ik in een recensie voor Lees-wijzer (2023): Het touw en de waarheid is pure poëzie in woord én beeld, waaruit een grote liefde spreekt voor mooie woorden en kleuren.’ Ook in dat boek speelde de zee een centrale rol en riep hij sfeer op met poëtische zinnen als ‘Het gierige licht van een magere maan trok alle kleuren weg.’
 
De lezer weze gewaarschuwd: het vraagt tijd om in de zee van woorden in Kunst zijn dichtbundel helemaal weg te kunnen duiken. Zet de tijd stil, lees en herlees en laat je meedrijven op de golvende versregels of neem een duik onder die golven om op zoek te gaan naar parels van verborgen emoties.
 
Centraal thema is de zee, maar onderzees stromen diepere motieven en emoties die door de zee worden opgeroepen. Het vaakst wordt de zee verbonden met verlangen. In het sprookjesachtige openingsvers droomt de ik met ‘Mare Lieve van der Zee’ mee te zwemmen langs ‘verre havens, vreemde landen: ‘Lieve Mare, neem me mee’. Het verlangen naar de verte en avontuur kleurt ook ‘De geuren van de zee’, een gedicht dat zijn oorsprong vond in ‘Odeur marine’ van de Franse dichter Roger Dévigne. De ziel wordt er vergeleken met een schip dat naar de verte en de vrijheid wil, maar gebonden is aan de kade. ‘Eindeloos’ verwoordt dan weer het verlangen naar een verre geliefde, met een bitter slot.
 
‘De oude man’, geïnspireerd op een gedicht van de Portugese dichter Fernando Pessoa, gaat over het verlangen naar vroeger, naar de kindertijd, opgeroepen door zeilboten: ‘vleugels van verlangen, / van de wil om weer te zijn, / wie ik langgeleden was, / ook  al doen verlangens pijn.’ De band tussen zee en kinderjaren ligt ook aan de basis van ‘De rand’, waarin het strand staat voor de rand tussen kindertijd en volwassenheid, tussen verleden en toekomst: ‘Als kind lang geleden / stond ik ook hier, / oneindig de toekomst / en ik een klein dier.’ Dat motief duikt opnieuw op in ‘Golven breken op het strand’, waarin de ik zich in de nacht een eiland voelt in zee, maar ook ‘Een kind, dat droomt zich door de nacht, / nog niet belaagd door het verleden, / branding, wind of overmacht.’ En opnieuw wordt de zee gekoppeld aan verlangens: ‘Verlangen waar ik niet naar luister’ en ‘verlangens’ die ‘breken op het strand.’
 
Het contrast tussen verleden en toekomst is ook het centrale motief in ‘Vroeger en later’, waar het samengaat met een ander motief in de bundel: de band tussen volwassene en kind, hier opa en kleinkind. Kunst verwoordt die band in een van de gevoeligste strofen in de bundel, met een beeld dat uitdaagt om er een persoonlijke interpretatie aan te geven:
 
‘Mijn hand in zijn hand,
ik kijk naar hem op,  
verweerd en vertrouwd  
en net niet mijn vader,  
mijn opa het water,  
dat blinkt in de zon.’
 
In ‘Het tij’ staat de band tussen moeder en zoon centraal, een band als eb en vloed, tussen willen vasthouden en moeten loslaten. De zoon kan immers niet weerstaan aan ‘het trekken van het tij’ en de roep van ‘de wilde wijde oceaan.’ Waar ‘Het tij’ als een wilde branding over je heen raast, huppelt ‘Veerle en de zee’ met een vader en zijn kleine meisje speels naar de waterkant. In ‘Storm’, losjes gebaseerd op ‘On the beach at Fontana’ van James Joyce, buldert de zee ‘als een dol geworden hond’, maar de vader wandelt met zijn zoon toch verder op het strand. Net als bij Joyce gaat het gedicht in wezen over de bescherming die de vader zijn zoon wil bieden: ‘Mijn arm warm om je heen, / je ogen glanzen / en ach, de pijn verdween alweer, / die angst voor wat kan komen / en we lopen verder door.’
 
De eindeloze beweging van eb en vloed doet ook mijmeren over begrippen als eindig en oneindig, over wat blijft en wat voorbijgaat, mijmeringen die ook diepe gevoelens kunnen oproepen. In ‘Er ligt een land’ droomt de ik ervan ‘eindeloos te zwerven’ in een land ‘vergeten, / ver voorbij de oude zee. / Een land van kan niet weten, / niet meer bang zijn, nooit meer, nee’ en om daar ‘de eeuwigheid te beërven’. Het is een van die gedichten waarin je diep kan wegduiken om er je eigen gevoelens van de bodem op te diepen. In ‘Geen spijt’ wordt gemijmerd bij een kampvuur op het strand. Het refrein koppelt eb en vloed expliciet aan wisselende gevoelens:
 
‘Weer een dag van eb en vloed,  
verlies en verlangen, vergetelheid.  
Vermoeden dat alles anders moet,  
leven, liefde, vage spijt.’
 
Dat poëzie niet alleen gevoelens kan oproepen, maar ook verbeelding, demonstreert Marco Kunst in ‘Voorbij de zee’. Hij nodigt de lezers rechtstreeks uit om, geïnspireerd door het gedicht, kun eigen strand te verzinnen:
 
‘Dus doe nu ook je ogen dicht,  
denk aan het strand in dit gedicht.
Zoals jij wilt richt je het in,  
plaats jezelf er middenin  
en geniet voor onbepaalde duur
 van je eigen avontuur.’
 
In deze poëzie kun je niet alleen de zee zien, ruiken en voelen, met alle verlangens en gevoelens die die oproept. Je kunt de zee ook horen in het spel van ritme en klanken of anders gaan zien door de originele beelden en verrassende combinaties. In de meeste gedichten kiest Kunst voor een klassieke dichtvorm met strofen van gelijke lengte, een rijmschema en een vrij strak metrum (met vooral jamben die voor een golvend ritme zorgen). Behalve eindrijmen zorgen ook binnenrijmen, alliteraties en klinkerrijmen ervoor dat veel regels en strofen blijven hangen. Geniet van het klankspel in de begin- en slotstrofe van ‘Duinen’:
 
‘Duinen zijn reservestrand,  
bescheiden bergen ziltzacht zand  
die lomig liggen langs de rand
 van al dat weidse lageland.
[…]
‘Duinen,’ schreef ze, ‘duinen, duinen’.
Een blonde, mulle, volle naam,  
een naam die klinkt als zachte tuinen:
‘Duinen, duinen, duinen, duinen…’’
 
Of luister naar het spel van het licht op de golven: ‘En het licht dat daar krinkelt/ en botst, warrelt, twinkelt.’ (‘Water is water’). Het gedicht zingt, maar zinkt tegelijk wat weg door een teveel aan woorden in de eerste twee strofen. Hoe mooi veel versregels ook klinken, soms struikel je als lezer toch over een nodeloze breuk in het ritme of een gewrongen rijm, zoals in volgende strofe uit ‘Voorbij de zee’: ‘Het strand dat ik hier voor me zie, / is dat van de fantasie. / Het strand waar alles mogelijk is: / sprekende schelpen, zingende vis. / Eeuwenoude piratenschatten, / een krijsend koor van zwerfkatten.’ Op dit vlak mag de dichter nog kritischer zijn.
 
Maar in de meeste gedichten blijf je in de ban van het klankspel en misschien nog meer van de rijke beeldspraak en verrassende combinaties. De dijk ga je anders zien dankzij de uitgewerkte personificatie: ‘Ik sta op een heup / van het lijf van de dijk. / Ze rekt en strekt / zich loom voor mij uit.’ In ‘Golven breken op het strand’ droom je als het ware met de ik mee dat je een eiland wordt in zee: ‘De nacht ontrolt zich, breidt zich uit, / dempt licht en denken en geluid. / Een eiland blijf ik zonder zicht, / geen misthoorn, vuur of teken.’ ‘Naar zee’ is een uitgewerkte vergelijking van een rivier met een zich ontwikkelende vrouw: ‘Voller word je, breder, heupen en rondingen/ die rijmen met omringende heuvels. / Gulle oevers omkleden, omarmen je met groen…’
 
Marco Kunst demonstreert zijn taalvirtuositeit ook in de vier gedichten, geïnspireerd op verzen van andere dichters. Vergelijk de volgende regels uit ‘Van eb en overvloed’ met die uit ‘To the sea’ van Philip Larkin. ‘The miniature gaiety of seasides’ wordt ‘De zanderige vrolijkheid van strandjes aan de kust’; ‘still going on, all of it, still going on’ wordt ‘gaan altijd altijd altijd door’ en ‘Like breathed-on glass/ the sunlight has turned milky’ wordt ‘Dan valt de avond, zon in zee’. Kunst voegt ook verrassende beelden toe zoals ‘De tijd staat eeuwig deinend stil’ of ‘een zandkasteel, een luchtkasteel,/ een burcht van eb en overvloed.’  
 
Net als in Het touw en de waarheid zijn de illustraties van Jeska Versteegen al even poëtisch als de tekst. De illustratie op de cover zegt meteen ‘bijna alles’: daarop torst een tengere figuur de zee als een immense bal, terwijl een meeuw over de golven zweeft en de zon het rood van ‘bijna’ uit de titel weerspiegelt. Het opvallendst echter zijn de zwierige golven waarop je door de bundel kunt surfen. Bijzonder krachtig is het beeld bij het openingsgedicht, waarin de golf tegelijk het haar is van Mare Lieve, wier gesloten ogen en glimlach al even verlokkend zijn als de zee. Bij ‘Een kei’ wordt de golf een arm die de rode kei aait die de ik verbeeldt. Het contrast tussen de golven die op het strand spoelen en de twee minuscule zwarte en rode figuurtje bij en in het water drukt krachtig het gevoel van ‘De rand’ uit. Op de titelpagina en bij ‘De geuren van de zee’ kun je meesurfen op de rug van een zeepaardje, een mooi symbool voor de ziel, verlangens en dromen.
 
De zee is bijna alles is een gedurfde poëziebundel, zeker voor een jeugdig publiek. De zee is voor hen niet meteen het meest aantrekkelijke thema. En in de meeste gedichten is een volwassen stem aan het woord, die weliswaar soms terugkijkt naar de kindertijd of jeugd. Maar het is zeker de moeite waard voor jong én oud om in deze verzenzee te duiken en van onder de golvende regels diepmenselijke gevoelens en verlangens naar boven te halen.
 
Marco Kunst, Jeska Verstegen: De zee is bijna alles, Lemniscaat, Rotterdam 2025, 41 p. : ill. ISBN 9789047717461

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2025

Alfabetisch Afrika

Walter Abish

Apotheose

Andreas Gruber

De vissers

Raul Brandão

Devon

Nils Chr Moe-Repstad

Het geduld van de bloemen

Stefan Brijs

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2025

Van tong tot teen. Ontdek de wereld, begin bij je lijf

Geert-Jan Roebers, Wendy Panders (ill.)

Beesten

Ingvild Bjerkeland

De zee is bijna alles

Marco Kunst, Jeska Verstegen (ill.)

In de hoek

Pieter van den heuvel

Zusje

Janneke Schotveld, Rifka Mels

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri