Vanaf negen jaar

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

Bette Westera, Annemarie van Haeringen (ill.): Toen Thor het nog liet donderen. Verhalen over de goden van het Hoge Noorden

door Jan Van Coillie

9+ - ‘Meeslepend’. Dat is het eerste woord dat me te binnen valt na het lezen van Bette Westera’s bewerking van de Edda, de verzameling verhalen over de goden van het Hoge Noorden die in de dertiende eeuw werden opgetekend door Snorri Sturluson, een IJslandse rechter die de verhalen van zijn ouders had meegekregen. In een inleidend hoofdstuk (tegen een groene achtergrond) schetst Westera een kader voor de verhalen, waarin ze Odin en de andere goden een plan laten beramen om hun verhalen én zichzelf te redden van de vergetelheid, die dreigt door het oprukkende geloof dat de ‘zwartjurken’ verspreiden. Knap is hoe de beginletters van deze tekst versierd zijn met een soort runen.
 
De eigenlijke verhalen uit de Edda (op witte pagina’s, verlucht met indrukwekkende kleurenplaten van Annemarie van Haeringen) worden aan mekaar geregen als schakels van één lang verhaal. Zoals zoveel oeroude verhalen, begint het met ‘Hoe het allemaal begon’. Dankzij Westera’s beeld- en klankrijke taal zie je de hele schepping als het ware voor je ogen oprijzen vanuit het Gapende Gat, de Kolkende Ketel en de Gloeiende Haard. In de chaos doemen reuzen en goden op: de zwartgeblakerde reus Surt, de vreselijke rijpreus Ymir met zijn kinderen en de god en Alvader Odin en zijn twee broers. Uit de resten van Ymirs lijk kruipen dwergen en elfen. Op hun verzoek maakt Odin de wereld minder saai met bloemen, vogels en vlinders. Uit wee bomen scheppen Odin en zijn broers de eerste mensen, door Odin als volgt getypeerd:
 
‘Mensen zijn schepsels met een goddelijke gestalte, maar zonder goddelijke wijsheid. Ze hebben handen en voeten waarmee ze denken te kunnen doen wat ze willen, maar wij trekken aan de touwtjes.’
 
Vervolgens schept Odin uit de Gloeiende Haard de zon en de maan, een gebeurtenis die Westera oproept in vloeiende verzen:
 
‘Uit de Haard die laaiend vuur bleef braken
viste Odin vonken voor de zon en voor de maan.
Samen moesten zij de tijd bewaken,
door op afstand van elkaar de aarde rond te gaan.’
 
Terwijl de mensen zich voortplanten, scheidt Odin verschillende werelden, verbonden door de es Yggdrasil. Achteraan in het boek vind je een ‘kaart’ van die werelden, die wel handig is om ze uit elkaar te houden, want er wordt voortdurend heen en weer gereisd tussen Asgaard (het rijk van de goden), Midgaard (het rijk van de mensen en hun Wanen) en Nevelrijk (het rijk van de doden), met daarnaast nog Nidaros en Utgaard (het rijk van de reuzen).
 
Hoe machtig Odin ook is, almachtig is hij niet. Zo roept hij de hulp in van de rijpreus Mimir om te kunnen weten wat de mensen uitspoken. Dat kost hem wel een van zijn twee ogen. En dan zijn er nog de Nornen, die de levensdraden kunnen breken, ook die van Odin. Ook zij kunnen dichten: ‘Wij spinnen onze draden, wij weven onze webben. / Wij weten hoeveel eeuwen alle goden hier nog hebben. / Wij weten hoeveel jaren alle mensen blijven leven. / Wij hebben al wat adem heeft een levenslijn gegeven.’ Verder in het verhaal last Westering herhaaldelijk verzen in, waarmee ze de verhalende tekst verlevendigt. Het gebruik gaat terug op de Gedichten-Edda, een verzameling die bestond naast de Snorri-Edda.
 
De Nornen spinnen en knippen niet alleen de levensdraden, maar zijn ook muzen: ‘wij weven hun verhalen’. Eerst stellen ze de goden en mythische wezens voor in een soort stamboom: handig, want er duiken heel wat vreemde namen op, zoveel dat je als lezer wel eens de draad kwijtraakt. Alle figuren uit de stamboom spelen een rol in de verhalenwereld van de Edda, maar de hoofdrollen zijn weggelegd voor de Alvader Odin, de dondergod Thor met zijn magische hamer en de sluwe halfgod Loki, die altijd vol streken zit. Er treden ook tal van merkwaardige figuren op die niet in de ‘Wie is wie?’ Staan. Zo is er de innemende Kvasir, ‘die zowel mannelijke als vrouwelijk trekken vertoonde. […] Ze was even stoer als knap, en door zijn aderen stroomde dichtersbloed.’ Dat laatste maakt meteen Bragi jaloers, hij is immers de god van de dichtkunst. Maar Odin sust hem: een beetje concurrentie houdt hem scherp. Dergelijke uitspraken zijn typisch voor de goden, die daardoor heel menselijk worden. Soms lijken ze meer een bende kwajongens en meisjes. Overigens wordt Kvasir onvergetelijk naakt als een boreling door Van Haeringen in beeld gebracht.
 
Zo donderen en denderen de verhalen verder, het ene al fantastischer dan het andere. Verhalen als dat over de twee dwergen die Kvasir doden en zijn dichtersbloed gebruiken om er magische mede mee te brouwen waarmee ze onovertroffen gedichten kunnen schrijven. Over Idun, met haar gouden appels die onsterfelijk maken. Over de hitsige Heimdall, die met plezier kinderen verwekt bij mensen. Of over de mooie Sif, die haar gouden haren verliest door toedoen van Loki, die vervolgens zijn sluwheid gebruikt om de goden te laten overladen met geschenken door handige dwergen. Of nog over de onkwetsbare Balder, die toch gedood wordt door een magisch pijltje, waarop Odins dapperste krijger Moed afdaalt in het Nevelrijk, de wereld van Hel.
 
De verzameling verhalen eindigt met twee lange gedichten, die symbool staan voor de cyclus van dood en heropstanding: ‘Het einde van alles’ en ‘Een nieuw begin’. Dan komt, opnieuw op groene bladzijden, het vervolg van het kaderverhaal. Daarin vraagt Odin zich af of hij ‘het zelf zou kunnen zijn’? Die ‘het’, dat is de vader van de god van de zwartjurken. Op die manier mengt de godenwereld van de Edda zich met die van de christenen. In de weetjes achteraan kom je te weten dat die vermenging verder reikt.  Zo zijn ook in vier van onze dagen van de week de namen van goden uit het Hoge Noorden terug te vinden.
 
Dat het genieten is van de verhalen uit de Edda ligt niet alleen aan de fantasierijke, vaak spannende of gruwelijke maar even vaak ook grappige inhoud van de verhalen, maar ook aan de sprankelende taal van Bette Westera. Let op het klankspel en het bezwerende ritme in zinnen als de volgende:
 
‘Het Gapende Gat, de Kolkende Ketel en de Gloeiende Haard werden bewaakt door een roetzwarte reus met een vlammend zwaard. Surt, heette deze zwartgeblakerde reus.’
 
Of:
 
‘Het was hoogzomer, en in de vallei waren negen uit de kluiten gewassen boerenknechten met zeisen gras aan het snijden. Het was zwaar werk, het zweet droop in straaltjes langs hun lompe lijven’.
 
Westera verlevendigt haar taal niet enkel met tal van uitdrukkingen, maar geregeld ook met woordspelingen, zoals in het volgende fragment: ‘”Zijn jullie de dwergen die onlangs twee reuzen om zeep hebben geholpen?” vroeg hij Bars. “Zeep?” zie Fjalar. “Daar hebben wij geen verstand van. Wij maken honingbier en vossenbessenwijn”’. En dan zijn er nog de vele gedichten, waarin Westera telkens weer haar vakmanschap demonstreert. Op p. 68 geeft Kvasir (en Westera) zijn/haar visie op waar dichterschap: ‘Jullie rijmen er vrolijk op los, maar bij dichten komt meer kijken dan het op een rijtje zetten van wat rijmwoorden. Klank, ritme, verbeeldingskracht. Om een dichter te zijn moet je dichtersbloed hebben, zoals ik.’
Annemarie van Haringen is een waardige medespeler in deze herschepping van de Edda. Vanaf de eerste prent met de roetzwarte reus Surt met zijn roodgloeiende zwaard, word je een andere wereld ingezogen. Het valt trouwens op hoe klein ze dat zwaard afbeeldt, wat meteen de macht van de reus relativeert. In veel van haar prenten zet ze de (klein)menselijkheid van de goden in de verf en dat doet ze met veel humor en inleving. Kijk maar naar Heimdall, die dicht tegen Amma aan kruipt in het grote bed, terwijl haar man met zijn rug naar hen toe ligt. Of amuseer je met de reuzenbaby Ymir die een koe optilt om van haar uier te kunnen drinken. De verleidelijke reuzendochter Gunnlod, Thor vermomd als bruidegom, de spookachtige zieneres, de grappige Loki in diverse vermommingen… allemaal fascineren ze op het eerste gezicht.
 
‘De goden zijn geboren, hun werelden geschapen.
Van schurkerige schelmen tot welbespraakte knapen.
Van bandeloze bruten tot schrandere godinnen.
Hun draden zijn gesponnen, hun leven kan beginnen.’
 
Met deze versregels van de Nornen vat Westera de kern van de Edda samen. Laat je inspinnen in het intrigerende verhalenweb dat ze weeft, dan beginnen de verhalen vanzelf te leven.
 
Bette Westera, Annemarie van Haeringen: Toen Thor het nog liet donderen. Verhalen over de goden van het Hoge Noorden, Gottmer, Haarlem 2025, 231 p. : ill. ISBN 9789025780852. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri