9+ - ‘Meeslepend’. Dat is het eerste woord dat me te binnen valt na het lezen van Bette Westera’s bewerking van de Edda, de verzameling verhalen over de goden van het Hoge Noorden die in de dertiende eeuw werden opgetekend door Snorri Sturluson, een IJslandse rechter die de verhalen van zijn ouders had meegekregen. In een
inleidend hoofdstuk (tegen een groene achtergrond) schetst Westera een kader
voor de verhalen, waarin ze Odin en de andere goden een plan laten beramen om
hun verhalen én zichzelf te redden van de vergetelheid, die dreigt door het
oprukkende geloof dat de ‘zwartjurken’ verspreiden. Knap is hoe de beginletters
van deze tekst versierd zijn met een soort runen.
De eigenlijke verhalen uit de
Edda (op witte pagina’s, verlucht met indrukwekkende kleurenplaten van
Annemarie van Haeringen) worden aan mekaar geregen als schakels van één lang
verhaal. Zoals zoveel oeroude verhalen, begint het met ‘Hoe het allemaal
begon’. Dankzij Westera’s beeld- en klankrijke taal zie je de hele schepping als
het ware voor je ogen oprijzen vanuit het Gapende Gat, de Kolkende Ketel en de
Gloeiende Haard. In de chaos doemen reuzen en goden op: de zwartgeblakerde reus
Surt, de vreselijke rijpreus Ymir met zijn kinderen en de god en Alvader Odin
en zijn twee broers. Uit de resten van Ymirs lijk kruipen dwergen en elfen. Op
hun verzoek maakt Odin de wereld minder saai met bloemen, vogels en vlinders.
Uit wee bomen scheppen Odin en zijn broers de eerste mensen, door Odin als
volgt getypeerd:
‘Mensen zijn schepsels met een goddelijke gestalte, maar zonder
goddelijke wijsheid. Ze hebben handen en voeten waarmee ze denken te kunnen
doen wat ze willen, maar wij trekken aan de touwtjes.’
Vervolgens schept Odin uit de
Gloeiende Haard de zon en de maan, een gebeurtenis die Westera oproept in
vloeiende verzen:
‘Uit de Haard die laaiend vuur bleef braken
viste Odin
vonken voor de zon en voor de maan.
Samen moesten zij de tijd
bewaken,
door op afstand van elkaar de aarde rond te gaan.’
Terwijl de mensen
zich voortplanten, scheidt Odin verschillende werelden, verbonden door de es
Yggdrasil. Achteraan in het boek vind je een ‘kaart’ van die werelden, die wel
handig is om ze uit elkaar te houden, want er wordt voortdurend heen en weer
gereisd tussen Asgaard (het rijk van de goden), Midgaard (het rijk van de
mensen en hun Wanen) en Nevelrijk (het rijk van de doden), met daarnaast nog
Nidaros en Utgaard (het rijk van de reuzen).
Hoe machtig Odin ook is,
almachtig is hij niet. Zo roept hij de hulp in van de rijpreus Mimir om te
kunnen weten wat de mensen uitspoken. Dat kost hem wel een van zijn twee ogen. En
dan zijn er nog de Nornen, die de levensdraden kunnen breken, ook die van Odin.
Ook zij kunnen dichten: ‘Wij spinnen onze draden, wij weven onze webben. / Wij
weten hoeveel eeuwen alle goden hier nog hebben. / Wij weten hoeveel jaren alle
mensen blijven leven. / Wij hebben al wat adem heeft een levenslijn gegeven.’ Verder
in het verhaal last Westering herhaaldelijk verzen in, waarmee ze de verhalende
tekst verlevendigt. Het gebruik gaat terug op de Gedichten-Edda, een
verzameling die bestond naast de Snorri-Edda.
De Nornen spinnen en knippen
niet alleen de levensdraden, maar zijn ook muzen: ‘wij weven hun verhalen’.
Eerst stellen ze de goden en mythische wezens voor in een soort stamboom:
handig, want er duiken heel wat vreemde namen op, zoveel dat je als lezer wel
eens de draad kwijtraakt. Alle figuren uit de stamboom spelen een rol in de
verhalenwereld van de Edda, maar de hoofdrollen zijn weggelegd voor de Alvader
Odin, de dondergod Thor met zijn magische hamer en de sluwe halfgod Loki, die
altijd vol streken zit. Er treden ook tal van merkwaardige figuren op die niet
in de ‘Wie is wie?’ Staan. Zo is er de innemende Kvasir, ‘die zowel mannelijke
als vrouwelijk trekken vertoonde. […] Ze was even stoer als knap, en door zijn
aderen stroomde dichtersbloed.’ Dat laatste maakt meteen Bragi jaloers, hij is
immers de god van de dichtkunst. Maar Odin sust hem: een beetje concurrentie
houdt hem scherp. Dergelijke uitspraken zijn typisch voor de goden, die
daardoor heel menselijk worden. Soms lijken ze meer een bende kwajongens en
meisjes. Overigens wordt Kvasir onvergetelijk naakt als een boreling door Van
Haeringen in beeld gebracht.
Zo donderen en denderen de verhalen verder, het ene al
fantastischer dan het andere. Verhalen als dat over de twee dwergen die Kvasir
doden en zijn dichtersbloed gebruiken om er magische mede mee te brouwen
waarmee ze onovertroffen gedichten kunnen schrijven. Over Idun, met haar gouden
appels die onsterfelijk maken. Over de hitsige Heimdall, die met plezier
kinderen verwekt bij mensen. Of over de mooie Sif, die haar gouden haren
verliest door toedoen van Loki, die vervolgens zijn sluwheid gebruikt om de
goden te laten overladen met geschenken door handige dwergen. Of nog over de
onkwetsbare Balder, die toch gedood wordt door een magisch pijltje, waarop
Odins dapperste krijger Moed afdaalt in het Nevelrijk, de wereld van Hel.
De verzameling
verhalen eindigt met twee lange gedichten, die symbool staan voor de cyclus van
dood en heropstanding: ‘Het einde van alles’ en ‘Een nieuw begin’. Dan komt,
opnieuw op groene bladzijden, het vervolg van het kaderverhaal. Daarin vraagt
Odin zich af of hij ‘het zelf zou kunnen zijn’? Die ‘het’, dat is de vader van
de god van de zwartjurken. Op die manier mengt de godenwereld van de Edda zich
met die van de christenen. In de weetjes achteraan kom je te weten dat die
vermenging verder reikt. Zo zijn ook in
vier van onze dagen van de week de namen van goden uit het Hoge Noorden terug
te vinden.
Dat
het genieten is van de verhalen uit de Edda ligt niet alleen aan de fantasierijke,
vaak spannende of gruwelijke maar even vaak ook grappige inhoud van de
verhalen, maar ook aan de sprankelende taal van Bette Westera. Let op het
klankspel en het bezwerende ritme in zinnen als de volgende:
‘Het Gapende Gat, de Kolkende
Ketel en de Gloeiende Haard werden bewaakt door een roetzwarte reus met een
vlammend zwaard. Surt, heette deze zwartgeblakerde reus.’
Of:
‘Het was hoogzomer, en in de
vallei waren negen uit de kluiten gewassen boerenknechten met zeisen gras aan
het snijden. Het was zwaar werk, het zweet droop in straaltjes langs hun lompe
lijven’.
Westera
verlevendigt haar taal niet enkel met tal van uitdrukkingen, maar geregeld ook
met woordspelingen, zoals in het volgende fragment: ‘”Zijn jullie de dwergen
die onlangs twee reuzen om zeep hebben geholpen?” vroeg hij Bars. “Zeep?” zie
Fjalar. “Daar hebben wij geen verstand van. Wij maken honingbier en
vossenbessenwijn”’. En dan zijn er nog de vele gedichten, waarin Westera
telkens weer haar vakmanschap demonstreert. Op p. 68 geeft Kvasir (en Westera)
zijn/haar visie op waar dichterschap: ‘Jullie rijmen er vrolijk op los, maar
bij dichten komt meer kijken dan het op een rijtje zetten van wat rijmwoorden.
Klank, ritme, verbeeldingskracht. Om een dichter te zijn moet je dichtersbloed
hebben, zoals ik.’
Annemarie van Haringen is een waardige
medespeler in deze herschepping van de Edda. Vanaf de eerste prent met de
roetzwarte reus Surt met zijn roodgloeiende zwaard, word je een andere wereld
ingezogen. Het valt trouwens op hoe klein ze dat zwaard afbeeldt, wat meteen de
macht van de reus relativeert. In veel van haar prenten zet ze de
(klein)menselijkheid van de goden in de verf en dat doet ze met veel humor en
inleving. Kijk maar naar Heimdall, die dicht tegen Amma aan kruipt in het grote
bed, terwijl haar man met zijn rug naar hen toe ligt. Of amuseer je met de
reuzenbaby Ymir die een koe optilt om van haar uier te kunnen drinken. De
verleidelijke reuzendochter Gunnlod, Thor vermomd als bruidegom, de
spookachtige zieneres, de grappige Loki in diverse vermommingen… allemaal
fascineren ze op het eerste gezicht.
‘De goden zijn geboren, hun
werelden geschapen.
Van schurkerige schelmen tot welbespraakte
knapen.
Van bandeloze bruten tot schrandere godinnen.
Hun draden zijn gesponnen, hun leven kan beginnen.’
Met deze versregels van de
Nornen vat Westera de kern van de Edda samen. Laat je inspinnen in het
intrigerende verhalenweb dat ze weeft, dan beginnen de verhalen vanzelf te
leven.
Bette
Westera, Annemarie van Haeringen: Toen Thor het nog liet donderen. Verhalen
over de goden van het Hoge Noorden, Gottmer, Haarlem 2025, 231 p. : ill. ISBN 9789025780852. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan