Vanaf twaalf jaar

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2023

Patrick Ness, Jim Kay (ill.): Zeven minuten na middernacht

door Kyra Fastenau

Over rouw en de tegenstrijdigheid van de menselijke geest  

13+ - Zeven minuten na middernacht is een magisch-realistische jongerenroman, gebaseerd op een idee van de aan borstkanker overleden Ierse schrijfster Siobhan Dowd. Het hele boek ademt echter Patrick Ness. Het filosofische verhaal roept meer vragen op dan het beantwoordt en er is geen sprake van een eenduidige moraal of stereotiepe personages. Het is een complex verhaal over rouw en de tegenstrijdigheid van de menselijke geest, dat terecht het label ‘meesterwerk’ verdient.
 
Wie is het monster?
Het hoofdpersonage is de dertienjarige Conor O’Malley, wiens moeder lijdt aan een terminale vorm van kanker. Conors vader is jaren geleden met een andere vrouw naar Amerika vertrokken en aan zijn hardvochtige grootmoeder heeft hij evenmin veel steun. Zijn klasgenoten mijden hem sinds zijn beste vriendin Lily hen verteld heeft over zijn thuissituatie, waarna de twee knallende ruzie kregen. Tot overmaat van ramp wordt hij ook nog eens getreiterd door pestkop Harry en zijn consorten. Al met al voelt Conor zich dus behoorlijk eenzaam. Daarnaast worstelt hij met een duister geheim, dat hem tergt in terugkerende nachtmerries en pas aan het einde van de roman wordt opgehelderd.
 
Op een nacht krijgt Conor bezoek van een monster: de taxusboom op de begraafplaats achter zijn huis is tot leven gekomen en belooft hem drie verhalen te vertellen, waarna Conor zelf het vierde verhaal moet vertellen, dat van zijn nachtmerrie. Dat het monster de vorm van een taxusboom aanneemt, is niet toevallig. In Groot-Brittannië worden deze bomen traditioneel geplant op kerkhoven, waardoor ze zijn uitgegroeid tot een symbool voor rouw. Ook is taxus een ingrediënt van kankermedicijnen, en wanneer zijn moeders medicijn niet aanslaat, is de massieve boom dan ook een dankbaar middel voor Conor om tegenaan te schoppen en zijn frustraties op bot te vieren.
 
Het monster geeft het boek een magisch randje. Denk je eerst dat Conor droomt, dan zaaien de naalden, bessen en bladeren in zijn slaapkamer twijfel. Gaandeweg groeit het idee dat Conor en het monster dezelfde zijn. In dit opzicht is ook de Engelse titel A Monster Calls interessant. Hoewel Ness zelf aangeeft deze gebaseerd te hebben op het toneelstuk An Inspector Calls van J.B. Priestly, roept zijn titel ook herinneringen op aan Mary Shelley’s Frankenstein, een boektitel die bekend staat om zijn dubbelzinnigheid. Terwijl veel mensen denken dat het monster ‘Frankenstein’ heet, is dit eigenlijk de naam van diens maker, wat de vraag oproept wie het ware monster is. Op een vergelijkbare manier geeft het monster in Zeven minuten na middernacht herhaaldelijk aan dat Conor hém geroepen heeft en niet andersom, wat het gevoel versterkt dat hij een onderdeel is van Conors onderbewustzijn.
 
Suggestieve parabels
De verhalen van het monster houden steeds verband met het kaderverhaal, maar pas tegen het einde van het boek, wanneer Conor zijn geheim opbiecht, kun je als lezer de link leggen. Het vereist dan ook meerdere leesbeurten om het boek echt te kunnen vatten.
 
De eerste twee verhalen zijn een soort parabels die Conor iets leren over zijn eigen situatie, ook al vindt hij zelf dat ze ‘nergens op slaan’. In het eerste verhaal wil een gemene heks trouwen met een prins, om zo te macht over het koninkrijk te grijpen. In een poging zijn onderdanen tegen haar op te zetten, vermoordt de prins een boerendochter en schuift de schuld in de schoenen van de heks. Een aardig mens begaat een slechte daad waar een naar mens onterecht het slachtoffer van wordt: met dit verhaal wil het monster Conor uitleggen dat niet mensen zelf, maar hun daden goed of slecht zijn. Conor hoopte dat het monster zijn oma een lesje zou leren, maar hoe vervelend ze ook is, ze heeft geen misdaad begaan en dus verdient ze – net als de heks – geen straf.
 
Het tweede verhaal beschrijft een ruzie tussen een alchemist en een predikant. De eerste is wederom een onplezierig mens, die uit is op gewin: hij wil de taxusboom omhakken om daar een goedverkopend medicijn van te maken. De predikant houdt dit echter tegen, in de overtuiging dat zo’n medicijn een ouderwets bijgeloof is. Maar wanneer zijn eigen dochters ziek worden, gooit de predikant dit standpunt plotsklaps overboord en smeekt de alchemist om de boom alsnog om te hakken. Hij geeft zijn geloof in de geneeskunde en het herstel van zijn dochters op zodra het moeilijk wordt. Daarmee lijkt de zwakke predikant niet alleen op Conors vader, die even overvliegt vanuit Amerika om zijn medeleven te betuigen, maar direct weer vertrekt omdat zijn echtgenote dat vraagt, maar – zo blijkt op het einde van het boek – ook op Conor zelf, die er van meet af aan geen vertrouwen in heeft dat zijn moeder haar ziekte zal overwinnen.
 
Dit narratieve verband wekt een hoop suggesties over de complexe familierelaties. Stapte Conors vader even gemakkelijk uit het huwelijk met diens moeder? Lijkt Conor misschien op zijn vader, en is dat de reden dat zijn oma zo kil tegen hem doet? Geeft Conor de hoop zo snel op omdat hij eerder gekwetst is door het plotse afscheid van een ouderfiguur – een indruk die wordt versterkt doordat hij steeds spreekt over ‘gaan’ en ‘weggaan’ in plaats van ‘doodgaan’? Ness gaat nergens op deze vragen in, maar laat het aan de lezer over om zijn eigen conclusies te trekken.
 
Monsterlijk, of menselijk?
Na afloop van het tweede verhaal verwoest het monster het huis van de predikant en nodigt Conor uit om mee te doen. Wanneer Conor terugkeert uit deze droomwereld, ziet hij dat hij de woonkamer van zijn oma kort en klein geslagen heeft. Het is het eerste moment in het boek waarop Conor en het monster lijken te versmelten. Tijdens het derde verhaal wordt dat gevoel nog sterker: het monster vertelt Conor over ‘een onzichtbare man […] die er genoeg van kreeg om niet gezien te worden.’ Het verhaal is geen parabel, maar heeft direct betrekking op Conor zelf en is vermengd met het kaderverhaal, waarin Conor ruzie zoekt met Harry en hem het ziekenhuis in slaat. Hier vervaagt de grens tussen Conor en het monster helemaal: het is Conor die zijn vuisten balt en Harry een duw geeft in de bijbehorende illustratie, waar het monster niet meer dan een vage vlek is. Uit de reacties van de omstanders (‘Waar ben jij mee bezig, O’Malley?’), blijkt bovendien dat er voor hen geen monster zichtbaar is.
 
Interessant genoeg gaat Conor niet met Harry op de vuist om hem terug te pakken voor zijn getreiter, maar juist omdat Harry belooft hem voortaan met rust te laten. Om een of andere reden lijkt Conor de pesterijen nodig te hebben. Misschien omdat negatieve aandacht beter is dan helemaal geen aandacht? Veroorzaakt Conor chaos om gezien te worden? Hoewel deze zaken zeker een rol spelen, vallen de puzzelstukjes pas echt op hun plaats tijdens het vierde en laatste verhaal, waarin Conor eindelijk bekent wat hem dwarszit.
 
In zijn nachtmerrie hangt Conors moeder aan de rand van een klif, terwijl een monster van rook en vlammen haar de afgrond in trekt. Hoewel Conor haar nog langer had kunnen vasthouden, kiest hij ervoor om zijn moeder los te laten: ‘Ik kan er niet meer tégen! […] Ik kan er niet tegen om te weten dat ze weg zal gaan! Ik wil gewoon dat het achter de rug is! Ik wil dat het afgelopen is!’ De lezer kreeg al eerder de indruk dat Conor straf probeert uit te lokken (door de huiskamer te vernielen, Harry in elkaar te slaan en zijn huiswerk niet te maken) en de pesterijen van Harry als zijn verdiende loon beschouwt, maar nu blijkt ook waarom: Conor hoort volgens hemzelf ‘de allerergste straf’ te krijgen voor zijn monsterlijke gedachte. Het monster legt hem echter uit dat zijn gevoelens juist heel menselijk zijn:
 
‘[…] je geest spreekt zichzelf wel honderd keer per dag tegen. Je wilde dat ze zou gaan terwijl ze tegelijkertijd wanhopig wilde dat ik haar zou redden. Je geest gelooft graag in geruststellende leugentjes, ook al kent je geest ook de pijnlijke waarheden waardoor die leugentjes noodzakelijk zijn. En je geest straft jou omdat je in allebei gelooft.’
 
Het besef dat de menselijke psyche vol tegenstrijdigheden zit, is volgens Ness de essentie van het volwassen worden, zo vertelt hij tijdens zijn bezoek aan de Antwerpse Boekenbeurs. Doordat deze boodschap in het boek wat uitleggerig gebracht wordt, merk je dat Zeven minuten na middernacht in eerste instantie gericht is op kinderen en tieners. Hiermee is het verhaal echter niet ten einde, integendeel: de verwachtingen van de lezer worden nog een laatste keer tegengesproken, wanneer Conor zijn moeder ‘de onherroepelijke, volledige waarheid’ vertelt. Je verwacht dat hij haar zal vertellen over de gedachte die al hem zo lang kwelt, maar in plaats daarvan zegt hij: ‘Ik wil niet dat je gaat.’ Hij accepteert de pijnlijke situatie zoals die is en precies daarin schuilt zijn verlossing: ‘Conor hield zijn moeder heel stevig vast. En daardoor kon hij haar eindelijk loslaten’.
 
Innovatieve illustraties
Zeven minuten na middernacht is sowieso al een gelaagd verhaal, maar krijgt nog een extra dimensie dankzij de prenten van kunstenaar Jim Kay, die met dit boek zijn debuut als illustrator maakt. Kay toont zich een innovatieve tekenaar: zijn grimmige zwart-witillustraties in collagetechniek lopen over meerdere, soms wel negen pagina’s. Er is een duidelijk contrast tussen natuur en industrie, zowel in de stijl – krasserige pentekeningen worden afgewisseld met strakke digitale vormen – als in de beelden zelf: glooiende heuvels tegen een achtergrond van fabrieksschoorstenen, het overwoekerde kerkhof versus het betonnen schoolgebouw… Ook zien we veel symbolen van begrenzing (hekken, doorntakken) en vrijheid (vogels, vlinders), die de thematiek van gevangen zitten en loslaten nog meer in de verf zetten.
 
Mensen, als ze al voorkomen, zijn slechts vage schimmen. Conor is het grootste deel van de roman slechts een wit silhouet, een blanco plek. In de prent bij zijn nachtmerrie krijgt hij echter een pikzwarte invulling: zijn donkere geheim is onthuld. Het monster was voorheen altijd zwart of diepgrijs, maar nu zien we een witte arm, wat de indruk versterkt dat Conor en het monster inwisselbaar zijn. Ook toont de kleurwisseling dat mens en monster, Goed en Kwaad, niet zo zwart-wit te typeren zijn. Op de laatste prent ligt Conor te slapen tegen de zwarte taxusboom en zien we alleen een wit gezicht en hand: de twee zijn als het ware een geworden.
 
De essentie van de puberteit
Met Zeven minuten na middernacht levert Patrick Ness opnieuw een rijk verhaal af dat nog lang in je hoofd blijft nazingen. Ondanks de complexiteit en het heftige thema is het een toegankelijk boek, dat nergens te zwaar of belerend wordt – op de sleutelscène na. De parabels van het monster worden doorspekt met sarcastische opmerkingen van Conor (‘Dit was een koninkrijk […] We hebben niet eens een MacDonalds’) en de talloze mysteries zorgen ervoor dat je het verhaal in één ruk uitleest.
 
Bovendien reikt de thematiek van het boek veel verder dan alleen kanker, want Conors emoties zijn in meer of mindere mate herkenbaar voor iedere tiener. Het gevoel dat je er in je eentje voor staat, dat volwassenen je niet serieus nemen, de tegenstrijdige gedachten waar je niks van begrijpt… Het is de essentie van de puberteit. Juist daarom is Zeven minuten na middernacht bij uitstek een jongerenroman, ook al werd het boek toen het in 2013 oorspronkelijk verscheen op de Nederlandstalige markt, gepromoot ‘voor alle leeftijden. Het boek werd bekroond met de Carnegie Medal 2012 de Kate Greenaway Medal2012 en de Gouden Lijst 2014.
 
Patrick Ness, Jim Kay: Zeven minuten na middernacht, Ploegsma, Amsterdam 2023, 215 p. : ill. ISBN 9789021684581. Vertaling van A Monster Calls door Manon Smits. Distributie Standaard Uitgeverij

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri