Nederlands proza

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

A.H.J. Dautzenberg en Max Niematz: Zonder schrammen vaart niemand wel. Een briefwisseling

door Laurent De Maertelaer

Lang leve de f(r)ictie  

‘Een balts tussen twee verliefde mannen’, zo omschreef Tommy Wieringa ooit De fictiefabriek (Atlas/Contact 2014), de smeuïge correspondentie tussen fraudepsycholoog-tegendenker Diederik Stapel en schrijver-polemist A.H.J. Dautzenberg (1967). Van enige vorm van liefdevolle paringsdans is weinig of geen sprake in Zonder schrammen vaart niemand wel, een nieuwe verzameling brieven en mails van en aan Tilburgs voormalige stadsdichter, kort geleden gepubliceerd door de Groningse uitgever Kleine Uil. Dwarse correspondent van dienst is deze keer Max Niematz (1942), misschien wel de enige echte writer’s writer van de Nederlandse letteren. Beide heren drijven de kunst van het op eieren lopen op de spits, maar na iets minder dan een jaar blijkt het water tussen de twee sterke persoonlijkheden — die elkaar overigens nooit in levenden lijve hebben ontmoet — veel te diep en stopt de briefwisseling. ‘Lang leve de f(r)ictie’, sluit Dautzenberg zijn laatste bericht af.
 
Net als het geval was bij Stapel is het Niematz die het initiatief neemt en schoorvoetend toenadering zoekt per mail. Op 26 februari 2020 stuurt Niematz een eerste, aftastend mailtje — het laatste bericht is van 8 januari 2021, in deze editie verkeerdelijk als 2020 afgedrukt. Zogenaamd om te zien of het mailadres dat hij van Dautzenberg heeft, wel correct is. Een dag later schrijft hij een meer gedragen mail, onder meer om zijn mening over Dautzenbergs theaterstuk Grond te kennen te geven. Tegelijk moet hij toegeven zelf niet goed te weten waarom hij mailt. Is het omdat ze beiden Tilburger zijn en ooit dezelfde uitgever deelden? Of was Niematz’ recente lezing van de vaderroman Extra tijd (Atlas/Contact 2012) de trigger? Of misschien wel de lectuur van Ik bestaat uit twee letters, Dautzenbergs bejubelde dagboekpuist op het tot dan toe smetteloze Privé-domein-blazoen?
 
Dautzenberg, nooit te beroerd om een uitgestoken hand te weigeren, gaat tot zijn eigen verbazing graag in op Niematz’ verzoek om een reactie. In de periode dat hij de eerste berichten ontvangt, zit de schrijver immers behoorlijk in het slop. Hij kampte met een knoert van een coronabesmetting en moest noodgedwongen 33 dagen in quarantaine doorbrengen. Een hellevaart die na de isolatie uitdijde tot een tijdsspanne van zes duistere maanden. Zoals Dautzenberg in een interview tijdens een live podcast van De Nieuwe Contrabas toegeeft: Niematz’ mails boden hem aanvankelijk enige houvast, hij was er hem zelfs dankbaar voor. Hoewel de correspondentie in mineur eindigt, is Dautzenberg grootmoedig genoeg om Niematz in het vraaggesprek een belangrijk auteur en een groot stilist te noemen, een oordeel dat hij niet onder stoelen of banken steekt en ruimschoots aan bod laat komen in het mailverkeer.
 
Dautzenberg houdt helemaal niet van mailen, maar raakt meer en meer geïntrigeerd door de figuur Niematz. Diens mails kwamen binnen onder zijn echte naam, ‘Jan Hombergen’, maar werden consequent ondertekend met ‘Max’. Dautzenberg wil achterhalen waarom Niematz een pseudoniem hanteert, of op zijn minst wat het gebruik van een schuilnaam voor hem betekent. Die zoektocht wordt uiteindelijk een hoofdthema in de correspondentie, net als ellenlange discussies over de paradigma’s van het ware schrijverschap. Dautzenberg begon van de weeromstuit het oeuvre van de ietwat mysterieuze Niematz te lezen en te herlezen. Zijn pientere opmerkingen en steeds onderbouwde commentaren verwerkt hij in zijn brieven, vaak terloops of in een post scriptum. Niematz reageert altijd prompt, gestructureerd en uitvoerig. Meestal is hij het oneens met Dautzenberg: hij fileert zijn analyses tot op het bot, in paginalange, helder geformuleerde, nu eens bitsige en zeurende, dan weer minzame en paaiende antwoorden.
 
Zoals in Ik bestaat uit twee letters is Dautzenberg opnieuw openhartig en genereus over zijn privéleven. Over zijn nakende verhuis bijvoorbeeld, naar de woning van zijn echtgenote Maartje, waar hij een heuse ‘torenkamer’ krijgt om in te werken en te lezen en dit na 22 jaar alleen wonen, in zijn Noord-Tilburgse ‘gloppenhol’. Of over het spijkerbed dat hij kocht op aanraden van Lieke Marsman, om beter te kunnen slapen. Ondertussen schrijft hij veel vanuit zijn ‘derdehands stacaravan’ in het natuurrijke Westelbeers, een uur fietsen van Tilburg. Dautzenberg klaagt over zijn uitgever Mizzi van der Pluim (‘een keiharde zakentante’, volgens Niematz), die vindt dat zijn werk per boek ‘ontoegankelijker’ wordt (‘lees: moeilijker verkoopbaar’). Het is een van de redenen waarom hij voor zijn nieuwe roman Ogentroost definitief terugkeert naar zijn oude huis van vertrouwen, Atlas Contact. Ogentroost, met als verschijningsdatum Werelddierendag, gaat over een vrouw die de maatschappij de rug toekeert en zich in de natuur terugtrekt in, jawel, een stacaravan (Dautzenbergs aftands exemplaar in Westelbeers krijgt dan ook de naam ‘Ogentroost’).
 
Niematz op zijn beurt schrijft over het plezier waarmee hij Ik bestaat uit twee letters leest. Dautzenberg vindt zijn uitingen in dat dagboek ‘te particulier’. Hij wil wel degelijk ‘gezien’ worden, maar ‘met mate’. Zichtbaarheid is aan de andere kant wel essentieel om in aanmerking te blijven komen voor een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds. Dautzenberg windt er geen doekjes om: hij probeert te leven van zijn pen en dus alle toelagen en inkomsten van allerhande instanties zijn meer dan welkom. Niematz daarentegen blijkt al heel lang van een invaliditeitsuitkering te leven. Hij heeft geen financiële zorgen en kan zich volledig, met een vrij hoofd, op het schrijven storten. Enkele brieven zijn verstuurd vanuit zijn buitenverblijf in Noord-Italië.
 
Het is al snel duidelijk dat Dautzenberg en Niematz elkaars tegenpolen zijn: de eerste is een snelle veelschrijver, de tweede heeft op een schrijversloopbaan van meer dan dertig jaar een bescheiden oeuvre bij elkaar gepend. Dautzenberg is een prille vijftiger, Niematz is er bijna tachtig. Dautzenberg schrijft geregeld opiniestukken, verschijnt op de radio of televisie, geeft lezingen en verzorgt inleidingen bij boekpresentaties van bevriende auteurs, terwijl Niematz zich liever achter de schermen beweegt en schuilhoudt in de luwte (deels uit vrije wil, deels omdat hij sinds een paar jaar een terminale kanker heeft, zo laat hij weten hij in een aangrijpend bericht).
 
Dautzenberg probeert Niematz geregeld uit zijn kot te lokken. Zo zegt hij ergens in een post scriptum dat hij Niematz’ roman In de schaduw van toekomstige rampen (Atlas/Contact 2012) zal herlezen ‘op zoek naar Jan Hombergen’. Niematz bijt van zich af: mocht Dautzenberg Jan ‘vinden’ in het boek dan zou de roman voor de auteur ervan mislukt zijn. Niematz wil liever ‘lekker verstoppertje’ blijven spelen. Ook Dautzenbergs lezing van Het wachtlokaal (Atlas/Contact 2009), een ‘ideeënroman’ die Nanne Tepper volgens Niematz ‘meesterlijk’ noemde, is volledig verkeerd. Hij zet de puntjes op de i en onthult het procedé dat hij voor al zijn romans heeft gehanteerd: ‘Onderscheid voor het gemak grofweg drie fasen in het schrijfproces: 1) een voor een gaan ze uit van van de som van mijn ervaringen en 2) ontwikkelen vandaaruit de idee, die op zijn beurt 3) weer de onderhavige handeling bepaalt.’
 
Niematz bekent dat zijn brieven maar moeizaam tot stand komen. Dat wijt hij onder meer aan het leeftijdsverschil met Dautzenberg en aan het feit dat hij ernstig ziek is. Hij werkt naar eigen zeggen dagenlang aan de brieven, ‘struikelend, tastend’ en stopt ze ‘boordenvol trucs en trouvailles’: ‘Bedrog is simpelweg de methode. De methode heeft ten doel de vrijheid, spontaniteit, nutteloosheid van het schrijven te maximaliseren.’ Voor Niematz, die de luchtige ‘parlando-stijl’ van Dautzenberg benijdt, bestaat er geen wezenlijk verschil tussen het schrijven van brieven en romans.
 
Dautzenberg is geïrriteerd omdat Niematz een te heilig aura aan het schrijverschap toekent, hij vindt hem dan ook te cerebraal als schrijver. Niematz op zijn beurt verbaast zich over de discrepantie, ‘het contrast’ dat er bestaat, ‘tussen enerzijds die onweerlegbare publieke presentie, anderzijds je verlangen naar rust, leegte, onzichtbaarheid, mystiek en lieveheersbeestjes.’ En verder: ‘Ieder karakter is het toneel van innerlijke tegenstrijdigheden, bij jou lijken ze extreem.’ Niematz kan er bijvoorbeeld niet bij hoe Dautzenberg evenzeer kan opgaan in de goorste metal als in middeleeuwse madrigalen.
 
Dautzenberg hekelt het feit dat Niematz zijn extra-literaire activiteiten als ‘vervuiling van het schrijverschap’ beschouwt. Maar hij is strijdvaardig: ‘Ik schrijf de boeken die ik wil schrijven.’ Hun totaal verschillende mening over het schrijverschap culmineert in de verdeelde visie op Nescio, een auteur die Niematz op handen draagt, maar die Dautzenberg niet per se op een voetstuk wil zien. Niematz vindt wat Dautzenberg over Nescio schrijft in Ik bestaat uit twee letters  ‘onuitstaanbaar arrogant’, ‘de enige miskleun in het boek’. Dautzenberg  bekritiseert de ‘moraal’ van het gemiddelde Nescio-personage — je idealen opgeven ten voordele van de verstikkende normen van de maatschappij en zich conformeren —, terwijl Niematz het net opneemt voor de ‘zwakke’ personages bij Nescio en zijn voorliefde voor dergelijke figuren in zijn eigen werk zo goed mogelijk heeft proberen uitwerken.
 
Het is al snel duidelijk dat beide auteurs onverzoenbare standpunten hebben op het schrijverschap, net als sterk uiteenlopende meningen over wat nu precies een goede roman is. Dautzenberg geeft uitvoerig uitleg over zijn eigen werk, wat van Zonder schrammen vaart niemand wel een absolute must maakt voor de fans. Hij spreekt uitgebreid over zijn werkmethodieken en gaat in op details uit Geestman (2019), Aslast (2020), Een wandeling in Mei (2021) en zijn writer-in-wandering residentie bij het festival Wanderlöss. Bijzonder boeiend zijn de stukken over de nakende roman Ogentroost en het vernoemen van een op til staande nog titelloze ‘libertijnse roman’.
 
Een voor Dautzenberg cruciaal aspect van zijn schrijverschap is en blijft zijn engagement, een facet dat hij tot zijn ontsteltenis nergens terugvindt bij Niematz en voor de meesten die zijn werk niet goed kennen gereduceerd ziet tot zijn op het eerste gezicht mediagenieke buiten-literaire activiteiten (zijn nierdonatie, zijn steunlidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn, zijn correspondentie met Stapel, etc.): ‘Wellicht is mijn werk te afwijkend, te literair, te obscuur of misschien wel niet goed genoeg. Of zit de vent misschien in de weg? Wie zal het zeggen?’
 
Niematz van zijn kant heult met de canon, zweert bij cultuur met grote C en vindt zijn meug alleszins niet bij populaire en zogenaamd ‘lagere’ cultuur. In tegenstelling tot Dautzenberg, die als puntje bij paaltje komt zo goed als overal zijn gading in vindt, zo lijkt het wel, en de heilige huisjes van de canon met graagte neerhaalt, herkneedt en tot iets idiosyncratisch heropbouwt. Naar aanleiding van Ik bestaat uit twee letters noemde NRC Dautzenberg ‘onze grootste literaire grensoverschrijder', meer dan terecht vindt hij zelf: ‘Mijn werk wordt absoluut gekenmerkt door transgressie — en dat verklaart mijn absolute liefde voor vormexperimenten, voor anomie, het openbreken van convergerende normen en vooroordelen.’ Dautzenberg beveelt Niematz dan ook met veel plezier en kennis van zaken niet gecanoniseerde werken aan. Niematz doet z’n best om op de suggesties van zijn correspondent in te gaan en onderneemt zelfs pogingen om aangeraden films of muziek te bekijken en te beluisteren, wat meestal op een sisser afloopt en eindigt met een mild verwijt aan Dautzenbergs adres over zijn discutabele smaak.
 
Dautzenberg is verbaasd dat Niematz beweert ‘voor de eeuwigheid’ te schrijven. Zelf stelt hij dergelijke begrippen in voortdurend in vraag: ‘Eeuwigheid is een constructie, een bijzonder wankele constructie.’ In een bericht van 7 oktober 2020 geeft Dautzenberg zich echter bloot: ‘[…] ik raak meer en meer gehecht aan onze epistolaire vriendschap’. De toon mildert: ‘We zijn echter lang niet zo oppositioneel als we ons voordoen, eerder aanvoegend.’ Hij amuseert zich met Niematz’ brieven, maar ergert zich er ook ‘kapot’ aan: ‘Een vijand zul je evenwel nooit worden.’ Een bekentenis bezegelt deze voorzichtige liefdesverklaring: ‘Een confidentie, broeder. Ik heb in mijn omgeving niemand waarmee ik kan praten over de onderwerpen waarover wij corresponderen.’ Hun verschillen kunnen hun vriendschap misschien net versterken: ‘We grossieren allebei in poses, dragen graag schuttingskleuren. […] Blijf me maar wijzen op mijn rammelende visies.’
 
Dautzenberg wil Niematz deel laten uitmaken van zijn Tao van de T-project. Zoals gezegd, van augustus 2019 tot maart 2021 was Dautzenberg stadsdichter van Tilburg. Geïnspireerd door de klankgedichten van Antony Kok, een van de voormannen van De Stijl, wilde hij zijn gedichten in dialoog laten treden met verschillende kunstdisciplines. Elke maand verscheen er een gedicht van Dautzenberg én een adaptatie hierop, door telkens een andere Tilburgse kunstenaar. De tentoonstelling ‘De Tao van de T’ bracht alle 21 adaptaties samen in PARK. Aanvankelijk is er enthousiasme van beide kante, zowel bij Dautzenberg als bij Niematz, maar al snel loopt de eventuele samenwerking in het honderd en wordt een omineus twistpunt in de correspondentie.
 
Dautzenberg vindt de brieven van Niematz bovendien almaar knorriger en mopperiger worden: ‘Je blijft mij zien als iemand die ontzettend veel aandacht nodig heeft en dat beeld irriteert je.’ Hij doet nochtans z’n best: ‘Ik probeer, Max. Ik onderzoek, Max, en dan niet alleen mijn eigen navel.’ Aan de andere kant is het nu toch wel definitief gedaan met verbloemde taal, het is tijd om een kat een kat te noemen: ‘Maar jouw lage productie en je rug-naar-de-samenleving-houding is niet de norm, Max. En al helemaal niet míjn norm. Ik ben allergisch voor dogma’s. Leven en laten leven — dat is al moeilijk genoeg. […] Ik krijg de indruk dat je jaloers bent op mijn productie en de aandacht die dit genereert.’ Wie schrijft deze brieven voortaan, Jan of Max, vraagt Dautzenberg zich plagerig af?
 
Dat laatste is voor Niematz de spreekwoordelijke druppel en hij reageert kregelig: ‘Onze correspondentie nadert code rood.’ Voor de archieven: Dautzenberg stelde ‘Code rood’ voor als titel voor de briefwisseling, maar Niematz duwde door voor Zonder schrammen vaart niemand wel. Voor Niematz is het welletjes geweest: hij vindt dat Dautzenberg het té bont maakt. Hij krijgt volgens hem onterecht de wind van voren, enkel en alleen omdat hij er ‘conservatievere opvattingen over literatuur’ op nahoudt en er de voorkeur aan geeft ‘de woorden gewoon achter elkaar te zetten’, net als ‘99,99% van de schrijvende wereldbevolking, maar ánders dan Dautzenberg’. De modder zat al een tijdje vuistklaar, maar vliegt vanaf dan duchtig in het rond: ‘Zo zul ook jij nooit, maar dan ook nooit loskomen van je nier, je Stapel en je pedofielen. Leef ermee, en als ze erover beginnen, glimlach dan of mompel: zalig de armen van geest, en laat het passeren.’ Dautzenberg reageert kalm: ‘Ik ga blijkbaar te ver in het vorige maand afgesproken rollenspel: jij de eigenwaan etc. en ik de corrigerende vader.’
 
Toch strooit Dautzenberg nog wat zout op de verse wonde door als titel voor hun al dan niet gepubliceerde correspondentie Een oosters gerecht voor te stellen: ‘Dit typeert een beetje de smaak die onze correspondentie gaandeweg heeft gekregen: zuur, gevolgd door zoet, en/of andersom’. Niematz riposteert dat het vaak over het verkeerd interpreteren van toon gaat en wil niet dieper in ‘de spiraal van gekibbel’ getrokken worden. Hij doet een tegemoetkoming en tekent met ‘Jan’. Dautzenberg bevestigt van zijn kant dat hij in zijn jeugd te weinig ouderlijke aandacht heeft gekregen omdat zijn tweelingbroer zijn deel daarvan opeiste, zoals Niematz tot vervelens toe in eerdere berichten had beweerd. Niematz vindt dit een ‘bekentenis van jewelste’ en ‘een grootmoedig gebaar’. Tegelijkertijd voelt hij zich ‘geestelijk gecastreerd’ door te schrijven als ‘Jan’ en ‘Niematz’ monddood te maken. Na het Tao van de T-debacle is Niematz ziedend: ‘O, wat klein, wat kwalijk allemaal’. Hij is duidelijk: ‘Er rust geen zegen op onze gesprekken, ze brengen alleen zure vruchten voort. […] In bovenstaand zuur heb ik dus geen zin meer.’
 
Aldus bloedt de heetgebakerde briefwisseling langzaam leeg. Eerder had Dautzenberg Niematz erop gewezen dat Gerbrand Bakker in Knecht alleen (2020) stelt dat elke schrijver er rekening mee houdt dat alles wat hij of zij schrijft vroeg of laat gepubliceerd wordt of kan worden. Ook deze brieven komen in aanmerking, zegt hij: ‘Het maakt mij niet uit of onze brieven gepubliceerd worden, al dan niet buiten mijn medeweten of zonder redactionele ingrepen.’ Dautzenberg heeft de mails onbewerkt bezorgd aan de uitgever, Niematz op zijn beurt heeft er nog een eindredactie op gedaan.
 
Niematz reageert dat hij nooit rekening heeft gehouden met een eventuele publicatie van de briefwisseling: ‘Zeker ben ik deze correspondentie gestart met een intentie, te weten: uit te vinden welke intentie dat was.’ Hij koesterde de illusie dat alles privé zou blijven. Maar, zegt hij, ‘De rek is eruit, de jeu [sic] is eraf’. Niematz houdt Dautzenberg helemaal niet tegen om de briefwisseling te publiceren, hoewel hij betwijfelt of ‘iemand geïnteresseerd kan zijn in wat ik zelf niet anders kan zien dan als een treurig rondgekibbeld fiasco’. Een opinie die Dautzenberg dan weer betreurt, want het brievenboek zou wel eens Niematz’ laatste boek kunnen zijn, gezien zijn leeftijd en precaire gezondheidssituatie.
 
Fiasco of niet, Zonder schrammen vaart niemand wel is een uitzonderlijk onderhoudend steekspel tussen twee hardhoofdige querulanten, die elk voor zich tot het uiterste gaan om hun heilig bewaakte visies op het schrijverschap te verdedigen. Of hoe een prille balts kan uitdraaien op een geanimeerd, driftig en kostelijk moddergevecht.
 
Max Niematz, A.H.J. Dautzenberg: Zonder schrammen vaart niemand wel, Kleine Uil, Groningen 2022, 389 p, ISBN 9789493170803

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Achter de slaperdijk

Martha Heesen

De rozentuin

Maeve Brennan

Krop : want er is tussen ons iets enorms aan de gang

Anne Provoost

Scheiden

Susan Taubes

Weerlicht

Jante Wortel

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Aicha en de verloren taal

Fikry El Azzouzi, Trui Chielens (ill.)

Alma; Van Honduras naar de Verenigde Staten, 2500 kilometer op de vlucht

Sander Meij

Bliksemkind

Hans Hagen, Martijn van der Linden (ill.)

De dag dat Oorlog naar Rondo kwam

Andriy Lesiv, Romana Romanyshyn

Onheilsdochter

Jean-Claude van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri