9+ - Tweevoudig Gouden Griffelwinnaar Simon van der Geest schreef dit
jaar het gedicht voor de Nederlandse Kinderboekenweek met als thema ‘avontuur’.
Hij gaf het de titel ‘Verdwalen’. Dat avontuurlijke verdwalen speelt ook een
belangrijke rol in zijn dichtbundel Plassen op schrikdraad.
Het avontuur en de
bijzondere ervaring van het ontdekken, staan meteen centraal in het
openingsgedicht met de fascinerende titel Qwxzjbrrr. Het opent met de regels: ‘Vandaag nam ik een
andere route/ Ik had zin om eens goed te verdwalen’. Het kind wordt in een
raket gezet en niet veel later gooit hij sneeuwballen met de Qwxzjbrrrianen.
Terug thuis wordt hij geconfronteerd met een bleke, uitgebluste papa, aan wie
hij de vraag stelt die aan veel volwassenen gesteld zou mogen worden: ‘Zeg pap,
verdwaal jij wel genoeg?’ Een dergelijke slotregel geeft een draai aan het
gedicht die de lezer aan het denken zet.
In ruim de helft van de twintig
gedichten is het avontuur een belangrijk motief. ‘Echte ontdekkers’ bijvoorbeeld
gaat over de aantrekkingskracht van het ontdekken van onbekend gebied. De ik en
zijn vriend verkennen voor het eerst een verwilderd stuk bos achter een hek. De
‘ontdekking’ op het eind zorgt voor een ontnuchterende, maar voor de lezer
grappige noot. In ‘Mijn vel’ nodigt de ik de lezer uit om goed te kijken naar
de tattoos die avonturen op zijn vel achterlieten:
‘Mijn hele vel
is
het verslag
van een woeste
zomerdag
Kijk maar eens goed:
Avontuur is me op het lijf
geschreven’
Vaak gaat het zoeken naar avontuur gepaard met gevoelens zoals lef, durf,
aarzelen en twijfelen. In ‘Leeuwenmoed’ verwoordt de dichter kernachtig en
tegelijk speels wat de ik ervaart als hij met zijn zus aanbelt bij een boze
buurman, bij wie hij een ruit brak:
‘Soms moet je dingen doen
die vragen leeuwenmoed
Had ik hier in mijn
eentje gestaan
was ik er
zeker weten allang
als een
haas vandoor gegaan
Maar gek is dat:
twee
angsthazen
maken samen
toch een piepklein leeuwtje.’
In ‘De
hoge’ wordt de ik gevraagd of hij van de hoge springplank in het water durft te
duiken. In ‘Ik ga naar Mars’ mengt hij heel herkenbaar het verlangen om even
weg van huis te gaan met de twijfels over het afscheid nemen en het gemis. In
‘Achterblijven’ wordt de ik uitgedaagd door zijn vriend en kleine broertje om
een sloot over te steken over een gevallen boomstam: ‘Mijn kleine boertje hè,
dus toen / kon ik moeilijk / moeilijk gaan doen.’
De uitdaging van
het avontuur verbindt Simon van der Geest ook vaak met (het oversteken van) de
dunne grens tussen fantasie en realiteit. De ik twijfelt aan de fantastische
verhalen van zijn oom die hem een wandelende tak gaf. Hij moet die tak heel
goed in de gaten houden, want ‘avontuur zit in zijn bloed: / zijn vader was de
wandelstok van een ontdekkingsreiziger’ (‘Reizende tak’). Op een keer ziet de
ik een zeemeermin in zee: ‘Jij denkt: yeah, right… moet ik dat geloven? /
Geloof wat je wil / Waar of niet waar? / Dat is iets tussen mij / en haar.’
(‘Ik heb een zeemeermin gezien’).
Simon van der Geest schrijft ‘parlando-poëzie’, een
dichtvorm die alledaagse spreektaal nabootst door middel van een losse,
natuurlijke praattoon en een anekdotische vertelstijl. Hij schikt zijn zinnen
in versregels, zonder rijmschema of metrum, maar af en toe wel met rijm als
bindmiddel. Die vorm maakt de teksten vlot leesbaar en herkenbaar (ook door het
sporadisch gebruik van jongerentaal) maar houdt ook risico’s in. Soms is de
grens met een verhalende tekst zonder poëtische meerwaarde wel erg dun, zoals in
volgend fragment uit ‘Klokhuis’:
‘Toen heb ik gegoogeld op ‘appelboom kweken’
Daar
stond ‘De grond moet kalkhoudend zijn’
(tandpasta gebruikt)
en ‘Geef elk jaar een ruime hoeveelheid compost’
(een
theezakje en wat koffieprut-
toen zat mijn oor wel aardig vol.’
Dat ‘oor’ op
het eind geeft het fragment wel een verrassende draai, maar die maakt voor mij
van dit stukje proza nog geen poëzie. En zo lees je wel meer fragmenten in de
bundel.
Anderzijds
spreekt de bundel aan door de originele onderwerpen en de verrassende manier
waarop ‘gewone’ onderwerpen benaderd worden. Die originaliteit blijkt al uit
titels als ‘Plassen op schrikdraad’ of ‘Vandaag heb ik een schaap geschoren’.
Origineel is ook de benadering in ‘Laatste rit’, waarin de dichter heel
herkenbaar de gemengde gevoelens verwoordt bij het krijgen van een nieuwe fiets
en het geen afscheid kunnen nemen van de oude, met als slot: ‘Ik geef je een
mooi plekje / achter in de schuur / en aai je stuur een laatste keer / Dag
fiets van mij, / roest zacht.’
Bovenstaand citaat laat ook zien hoe de dichter een
poëtische meerwaarde kan creëren door compacte taal, klankherhaling en
woordspel. Dat doet hij bij momenten ook in ‘Eentje nog’, een origineel gedicht
over de impact van gsm’s. Het begint met ‘Tim heeft een telefoon gekregen. Ik
heb er nog geen een / Opeens betekent buitenspelen bankjezitten’ en eindigt
met: ‘Over een jaartje / heb ik er ook een / dan zombie ik met hem mee’. Ook
‘Horizin’ in gebaseerd op woordspel (een kofferwoord met horizon en zin). Het
biedt een pakkende inkijk in de gedachten van een kind dat moeite heeft met
lezen.
Ook al
had ook ‘Horizin’ wat mij betreft aan poëtische kracht kunnen winnen door een
compactere verwoording, toch boeit het, precies omdat er zoveel gevoelens onder
de regels zinderen, zonder dat ze geëxpliciteerd worden. Vooral in dat
suggereren van onuitgesproken gevoelens onder en tussen de regels steekt de
grootste kracht van deze dichter. In ‘De hoge’ bereikt hij dit met een
opsomming van ellipsen:
‘Ik moet dit doen
zodat jij weet
dat ik best cool
en jij niet denkt
dat ik misschien
en jij vergeet
dat toen we hadden aangebeld
dat ik doen keihard weggerend ‘
Van der Geest
werkte eerder al samen met illustratrice Karst-Janneke Rogaar. Je voelt dat ze
elkaar goed aanvoelen. Rogaar slaagt er prima in om in haar composities het
avontuurlijke in de verf te zetten, bijvoorbeeld in de prent bij ‘Reizende
tak’, waarop een kind vanop een tak in de verte tuurt. Maar even goed weet ze
gevoelens van aarzelen, twijfelen of uitdagen weer te geven, zoals in de
houding en de gezichten van de twee kinderen op de springplank bij ‘De hoge’.
Simon van der Geest,
Karst-Janneke Rogaar: Plassen op schrikdraad, Querido, Amsterdam 2025, 48 p. :
ill. ISBN 9789045131719. Distributie L&M
Books
deze pagina printen of opslaan