Vertaald proza

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2023

Ana Iris Simón: Feria

door Bea De Koster

Ana Iris Simón is een prille dertiger, ze komt uit het binnenland van Spanje – het dorre en uitgestorven La Mancha van Don Quichot – en ze heeft een grote en kleurrijke familie. Over die drie onderwerpen schrijft ze, en ze doet dat thematisch, en cyclisch, want, zo zegt ze ergens over haar broer: ‘[hij was] zich als kleine jongen al bewust van wat veel volwassenen niet weten: dat de geschiedenis niet lineair is maar cyclisch.’ En die aanpak werkt, want naar het einde toe kun je als lezer een aantal volzinnen aanvullen met de bijna rituele formulering van een of ander verhaal. Op dat moment heb je bijna het gevoel alsof je er zelf bij was toen haar opa de boom plantte die Ana Iris schaduw zal geven, of toen ze haar bijna tien jaar jongere broertje, Javi, voor het eerst in haar armen hield.
 
Dat cyclisch element trekt Simón ook door in de syntaxis, wat het spreektalige karakter van de vertelling nog versterkt:  
 
‘Ik kon het niet laten, als ik Ana Mari zag slapen moest ik haar ogen opendoen, alsof ik wilde controleren of haar pupil en iris er nog zaten. Ze werd er nooit boos om en vroeg ook niet waarom ik het deed, misschien omdat ze wist dat ik als ze een middagdutje deed, moest controleren of haar pupil en iris er nog zaten.’
 
Op de beste momenten lijkt het of je naast de auteur in de avondzon zit te mijmeren over vroeger terwijl je je ogen over het molenlandschap van Campo de Criptana laat glijden. Toch werkte die redundantie me in het begin op de zenuwen, vooral omdat je in het eerste deel overspoeld wordt met de namen van al die familieleden die je niet uit elkaar kunt houden. Je moet het stukje bij beetje over je heen laten komen (de overgrootvader die onder Franco in ballingschap moest naar Frankrijk, de communistische overtuiging van haar vader, het kermisverleden van haar andere grootouders) tot de stamboom zich wat duidelijker begint af te tekenen. En je moet ook wennen aan de veelvuldige stapelzinnen met veel tussenwerpsels en zijsprongetjes waarbij je wel eens terug moet lezen om de hoofdzin weer op te pikken.
 
Simón begint haar autobiografisch relaas met de bedenking dat haar generatie van verstedelijkte plattelandskinderen uit de jaren 1990 het toch niet zo goed voor elkaar heeft. Ja, ze hebben een paar masters op zak en ze hebben de wereld gezien en ze zijn streetwise, maar ze hebben zelfs geen perspectief op een eigen huis en die kinderen stellen ze alsmaar uit. Ze passen voor het scenario huisje-tuintje-kindje van hun ouders, maar met het vrije alternatief zijn ze om de een of andere reden ook niet gelukkig. Simón neemt het leven van haar generatiegenoten nuchter en bijna methodisch onder de loep en vergelijkt het met het leven van haar ouders. Dat levert soms wat kromme redeneringen op, maar ook verrassende sociale en maatschappelijke inzichten, rake observaties over de scheiding der klassen en scherpe kritiek op het doorgeslagen liberalisme en kapitalisme. In Spanje waren de reacties op haar ideeëngoed nogal heftig.  
 
De mooiste passages zijn die met herinneringen aan haar kindertijd. Zoals het moment waarop Ana Iris in bad zit en iedereen heen en weer begint te rennen – en daarbij de badkamerdeur telkens weer open laat staan – omdat ze net gehoord hebben dat Miguel Angel Blanco door de ETA is vermoord. We zijn 13 juli 1997. Je krijgt daarbij alleen de uitleg die zij als kind heeft gekregen en waar ze niet veel van snapte. Ze weet dat het logo van de ETA leek op dat van de apotheek en dat ze mensen doodmaakten. Simón is zuinig met uitleg over de Spaanse geschiedenis en politiek, maar ze schetst wel de sfeer van controverse waarin ze opgroeide. Compleet met de liedjes die in de jaren ’90 en later tijdens haar adolescentie kleur gaven aan het leven.
 
Om de spanning erin te houden, laat Simón de lezer regelmatig wachten op uitleg terwijl ze een stukje informatie als een wortel voor je neus laat bengelen. Zoals de manier waarop oom Hilario stierf (‘Ik dacht ook dat als iemand hem had verteld hoe hij zou sterven, hij “hoe stom kun je zijn” zou hebben gezegd en zou hebben gevloekt. “Godnondedju, hoe stom kun je zijn”, dat zou hij hebben gezegd.’) of het moment waarop ze haar vader halverwege het boek ineens het woord ex-vrouw in de mond laat nemen om pas een bladzijde later te vertellen dat haar ouders gescheiden zijn. Zo schuift ze ook het verslag over haar zomers op de kermis in de speelgoedkraam van haar grootouders naar achteren, net als de windmolens op de Campo de Criptana. Een ronduit magische plek zoals ik het zelf in de lente heb ervaren, vooral bij valavond of vroeg in de ochtend, maar voor iemand die er opgroeit, in de eerste plaats een strijdelement: tegen welke molens heeft Don Quichot nu eigenlijk gevochten? Tegen die van ons toch zeker, en niet die van de buurdorpen.  
 
Dankzij de vertaalster kun je deze autobiografische kroniek lezen in vloeiend, plastisch en eigentijds Nederlands.
 
Ana Iris Simón: Feria, Das Mag, Amsterdam 2023, 269 p. ISBN 9789493320123. Vertaling van Feria door Trijne Vermunt. Distributie De Wolken

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri